- Home
- Rechtspraak
Rechtspraak
Veroordeling voor Radarverklikker en Bedekte Nummerplaat: Rechtbank Past Eendaadse Samenloop Toe en Legt Werkstraf Op
In dit vonnis van de Franstalige Politierechtbank te Brussel van 6 maart 2026 werd een beklaagde vervolgd voor twee verkeersgerelateerde misdrijven. De eerste tenlastelegging betrof het bezit van apparatuur die bedoeld is om de vaststelling van verkeersovertredingen te hinderen of te voorkomen, specifiek een radarverklikker of -verstoorder. De tweede tenlastelegging was het in het verkeer brengen van een voertuig waarvan de nummerplaat bedekt was, zelfs met een doorzichtig materiaal, waardoor de leesbaarheid werd belemmerd. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling voor beide feiten, stellende dat deze bewezen waren op basis van de stukken in het strafdossier. De verdediging, vertegenwoordigd door een advocaat, voerde het woord namens de beklaagde. De beklaagde gaf tijdens de procedure zijn akkoord om een autonome werkstraf uit te voeren als bestraffing voor de feiten. De rechtbank oordeelde dat beide tenlasteleggingen (A en B) bewezen waren. Een cruciaal element in de redenering van de rechter was de vaststelling dat beide misdrijven werden gepleegd met 'dezelfde misdadige opzet' ('même intention délictueuse'). De opzet was in beide gevallen gericht op het ontlopen van snelheidscontroles. Op basis van dit principe, gekend als de eendaadse samenloop van misdrijven, besloot de rechtbank om slechts één straf op te leggen, namelijk de zwaarste van de toepasselijke straffen. Rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten, de persoonlijke situatie van de beklaagde en diens strafblad, en met het akkoord van de beklaagde zelf, legde de rechtbank een autonome werkstraf van 100 uur op. Als stok achter de deur werd een subsidiaire geldboete van 800 euro vastgesteld, die enkel opeisbaar wordt indien de werkstraf niet of niet correct wordt uitgevoerd. Daarnaast werd de beklaagde veroordeeld tot het betalen van diverse bijdragen aan fondsen en de gerechtskosten.
Rijden onder invloed met herhaling: De impact van een bijkomende ongeschiktverklaring (Art. 42 WVW)
In dit vonnis van de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, werd een beklaagde vervolgd voor twee verkeersinbreuken: het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap of een soortgelijke staat (tenlastelegging A) en het niet dragen van een valhelm (tenlastelegging B). De zaak kreeg extra gewicht door de verzwarende omstandigheid van wettelijke herhaling voor de eerste tenlastelegging; de beklaagde was immers binnen de voorgaande drie jaar reeds veroordeeld voor een gelijkaardig verkeersmisdrijf. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling voor beide feiten, met toepassing van de strafverzwaring. De verdediging, gevoerd door een advocaat, kon de rechtbank niet overtuigen, aangezien de rechter beide tenlasteleggingen bewezen achtte. De rechtbank legde een gedifferentieerde straf op. Voor het niet dragen van de helm (B) werd een geldboete van 80 euro opgelegd. Voor het sturen in staat van dronkenschap met herhaling (A) was de bestraffing aanzienlijk zwaarder. De beklaagde werd veroordeeld tot een geldboete van 1.600 euro en een verval van het recht tot sturen voor een periode van 3 maanden. Bovendien werd het herstel van het recht tot sturen afhankelijk gemaakt van het slagen voor vier herstelexamens: een theoretisch, praktisch, medisch en psychologisch onderzoek. Dit wijst op ernstige twijfels van de rechtbank over de rijvaardigheid en -attitude van de bestuurder. De meest ingrijpende beslissing van de rechtbank was echter de toepassing van artikel 42 van de Wegverkeerswet. Op basis van de beschikbare gegevens oordeelde de rechter dat de beklaagde op dat moment lichamelijk of geestelijk ongeschikt was om een motorvoertuig te besturen. Dit leidde tot een bijkomend verval van het recht tot sturen van onbepaalde duur. Dit verval is geen straf, maar een veiligheidsmaatregel die onmiddellijk ingaat en pas kan worden opgeheven wanneer de betrokkene zelf aantoont opnieuw rijgeschikt te zijn. De combinatie van een tijdelijk rijverbod als straf en een rijverbod van onbepaalde duur als veiligheidsmaatregel illustreert de strenge aanpak van de rechtbank bij hardnekkige verkeersovertreders.
De valkuil van de gemengde verweerder: Ondernemingsrechtbank verklaart zich onbevoegd
Dit vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende, behandelt een geschil dat voortvloeit uit een mislukte overeenkomst voor de onderverhuring en potentiële overname van een handelszaak, met name een café. De eiseres, die het café zou uitbaten, had een bedrag van € 13.000 betaald als "voorschot als waarborg". De overeenkomst bestond uit een complex en onduidelijk geheel van een onderhuurcontract en twee addenda, waarin de termen huur, waarborg en overnameprijs door elkaar werden gebruikt. De eiseres vordert de terugbetaling van dit voorschot van € 13.000. Zij stelt dat de overdracht van de handelszaak onmogelijk werd omdat de hoofdverhuurder, [BROUWERIJ X], geen toestemming gaf voor de onderverhuring. Zonder deze toestemming was de basis van de overeenkomst weggevallen, waardoor de betaalde som zonder oorzaak was en terugbetaald moest worden. De verwerende partijen – de vennootschap die het café uitbaatte en haar twee zaakvoerders in persoonlijke naam – betwisten de vordering. Zij argumenteren dat de eiseres zelf verantwoordelijk is voor het afspringen van de deal. Bovendien dienden zij een tegenvordering in van € 24.584,60 als schadevergoeding voor werken die de eiseres in het pand zou hebben uitgevoerd in afwachting van de definitieve overeenkomst. De rechtbank gaat echter niet in op de grond van de zaak. Ambtshalve onderzoekt zij haar eigen materiële bevoegdheid. De rechtbank stelt vast dat de Ondernemingsrechtbank, volgens artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, in principe bevoegd is voor geschillen tussen ondernemingen. Hoewel een niet-onderneming een onderneming kan dagen voor deze rechtbank, is een cruciale voorwaarde dat alle verwerende partijen de hoedanigheid van onderneming moeten hebben. In casu zijn twee van de drie verweerders natuurlijke personen die niet ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) en dus niet als onderneming kunnen worden beschouwd. Omdat niet aan deze voorwaarde is voldaan, verklaart de Ondernemingsrechtbank zich onbevoegd. Aangezien de verweerders de exceptie van onbevoegdheid niet zelf hebben opgeworpen, wordt de zaak verwezen naar de Arrondissementsrechtbank, die zal bepalen welke rechtbank (vermoedelijk de Vrederechter) wel bevoegd is. De kosten worden aangehouden.
Geen bescherming voor 'Bomboclat': Ondernemingsrechtbank wijst stakingsvordering af wegens gebrek aan exclusief recht en te vage eis
Dit vonnis van de Ondernemingsrechtbank van Luik behandelt een vordering tot staking ingesteld door SC [BEDRIJF A] tegen ASBL [BEDRIJF B] en haar vertegenwoordiger, de heer [PERSOON A]. De kern van het geschil is het gebruik van gelijkaardige namen voor muziekevenementen. De eiseres, [BEDRIJF A], organiseert sinds 2018 een jaarlijks, grootschalig muziekfestival genaamd 'BOMBOCLAT Festival' op het strand van [GEMEENTE X]. Dit festival richt zich op reggae en afro-Caraïbische muziek en trekt duizenden bezoekers. De verweerders, [BEDRIJF B] en de heer [PERSOON A], organiseren op regelmatige basis kleinschalige dansavonden onder de naam 'BUMBOCLAAT Party'. Deze avonden vinden plaats doorheen het hele land, trekken een honderdtal personen en hebben een aanzienlijk lagere toegangsprijs. [BEDRIJF A] vorderde dat de verweerders onmiddellijk zouden stoppen met het gebruik van de naam 'BUMBOCLAAT' voor hun evenementen. De eiseres argumenteerde dat dit gebruik een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad vormt, zoals bepaald in artikel VI.104 van het Wetboek van Economisch Recht (WER), omdat het verwarring zou zaaien en haar professionele belangen zou schaden. Ze eiste een verbod op alle huidige en toekomstige publiciteit en gebruik van de naam, op straffe van een dwangsom. De verweerders voerden aan dat de rechtbank onbevoegd was omdat het geschil contractueel van aard zou zijn, dat de evenementen significant van elkaar verschillen en, cruciaal, dat de eiseres geen enkel exclusief recht bezit op de naam 'BOMBOCLAT'. De rechtbank wees de vordering van [BEDRIJF A] volledig af als ongegrond. De rechter stelde vast dat de eiseres in haar eigen conclusies een gerechtelijke bekentenis had afgelegd door expliciet te stellen dat ze geen recht claimt op het gebruik van de naam 'BOMBOCLAT', omdat het een algemeen bekende term is in de reggaecultuur. De rechtbank oordeelde dat men geen bescherming kan inroepen voor een handelsnaam waarvan men zelf erkent er geen exclusief recht op te hebben. Bovendien hekelde de rechter de vaagheid en de buitensporige algemeenheid van de gevorderde stakingsmaatregelen. Een vordering tot staking moet een specifieke, bewezen onrechtmatige daad viseren en niet, zoals hier, een algemeen verbod op het gebruik van een naam voor eender welk muziekevenement. De vordering voldeed dus niet aan de vereisten van precisie die de wet en de rechtspraak opleggen. Bijgevolg werd [BEDRIJF A] veroordeeld tot de gerechtskosten.
Sturen spijts verval en recidive: Politierechter legt werkstraf, rijverbod én vier herstelexamens op
In dit vonnis van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, stond een bestuurder terecht voor twee zware verkeersinbreuken. De zaak draaide om feiten die plaatsvonden op een specifieke datum in [GEMEENTE Y]. De eerste tenlastelegging betrof het besturen van een personenauto terwijl de beklaagde een rijverbod had, opgelegd door een eerder vonnis van de politierechtbank te Antwerpen. Dit wordt juridisch gekwalificeerd als 'sturen spijts verval'. De situatie werd verzwaard doordat de beklaagde binnen de drie jaar na een eerdere veroordeling voor een zware verkeersovertreding opnieuw een gelijkaardig misdrijf beging (juridische herhaling/verzwaring). De tweede tenlastelegging was het niet aanpassen van de snelheid aan de omstandigheden, zoals de aanwezigheid van andere weggebruikers en de plaatsgesteldheid. Ook voor dit feit bevond de beklaagde zich in staat van herhaling. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling voor beide feiten. De verdediging, bijgestaan door een advocaat, betwistte de feiten niet expliciet, maar de beklaagde stemde in met het uitvoeren van een werkstraf als alternatief voor een effectieve gevangenisstraf of geldboete. De rechtbank achtte beide tenlasteleggingen bewezen. Een cruciaal element in de redenering van de rechter was de toepassing van het principe van 'eenzelfde misdadig opzet'. De rechtbank oordeelde dat beide misdrijven (het rijden tijdens een rijverbod en de onaangepaste snelheid) voortkwamen uit één en dezelfde beslissing om de auto te gebruiken. Conform artikel 65 van het Strafwetboek werd daarom slechts één straf opgelegd, namelijk de zwaarste. De rechtbank veroordeelde de beklaagde tot een autonome werkstraf van 200 uren, met een subsidiaire gevangenisstraf van één jaar indien de werkstraf niet wordt uitgevoerd. Daarnaast werd een bijkomend rijverbod van 6 maanden opgelegd. Om zijn rijbewijs terug te krijgen, moet de bestuurder slagen voor vier herstelexamens: een theoretisch, praktisch, medisch en psychologisch onderzoek. Deze maatregel is bedoeld om het rijgedrag van de beklaagde grondig te evalueren en te corrigeren.
Werkstraf voor leerling-bestuurder na stapel aan verkeersinbreuken: analyse van samenloop en sanctie
In dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, stond een beklaagde terecht voor een reeks gelijktijdige verkeersinbreuken. De feiten vonden plaats op één enkele dag, waarbij de bestuurder, houder van een voorlopig rijbewijs B met begeleider, vier verschillende overtredingen beging. De tenlasteleggingen omvatten het niet dragen van de veiligheidsgordel, het onjuist vervoeren van een kind zonder geschikt kinderbeveiligingssysteem, het besturen van het voertuig zonder de verplichte begeleider en met een niet-toegelaten passagier, en het vervoeren van meer inzittenden dan het aantal beschikbare zitplaatsen met een gordel. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling voor alle vier de feiten. De verdediging, gevoerd door de advocaat van de beklaagde, kon de materiële feiten niet weerleggen. De beklaagde stemde tijdens de zitting in met het uitvoeren van een autonome werkstraf, een mogelijkheid waarover de rechtbank voorafgaand een positief advies had ingewonnen bij het Justitiehuis via een beknopt voorlichtingsrapport. De rechter oordeelde dat alle vier de tenlasteleggingen bewezen waren. Cruciaal in de redenering van de rechtbank was de toepassing van het principe van eendaadse samenloop (artikel 65 van het Strafwetboek). Omdat alle overtredingen voortkwamen uit één en hetzelfde misdadige opzet – namelijk de beslissing om op die specifieke manier met het voertuig te rijden – werd slechts één straf opgelegd, namelijk de zwaarste die op de feiten van toepassing is. Bij de straftoemeting koos de rechtbank, rekening houdend met de ernst van de feiten, het positieve advies van het Justitiehuis en de instemming van de beklaagde, voor een autonome werkstraf van 50 uur. Deze straf werd als passend beschouwd om zowel de maatschappelijke afkeuring te uiten als de re-integratie van de beklaagde te bevorderen. Als subsidiaire straf, voor het geval de werkstraf niet binnen de termijn van twaalf maanden wordt uitgevoerd, werd een geldboete van 800 euro vastgesteld. De beklaagde werd tevens veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten en bijdragen aan het Slachtofferfonds en het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.
Reistoestemming voor kind: belang van familiebanden primeert op vrees voor ontvoering
In deze zaak, behandeld in kort geding door de Familie- en Jeugdrechtbank te Dendermonde, vordert een moeder de machtiging om met haar minderjarige zoon naar Kameroen te reizen. De vader, met wie zij het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefent, weigert hiervoor zijn toestemming te geven. De reis is gepland voor een periode van ongeveer twee weken in februari 2026, met als doel het bijwonen van een herdenkingsplechtigheid voor de overleden vader van de moeder. Dit biedt volgens de moeder een unieke kans voor het kind om zijn familie van moederskant te leren kennen. De moeder (eiseres) argumenteert dat de reis een uitzonderlijk en tijdelijk karakter heeft. Om de vrees voor niet-terugkeer te weerleggen, legt ze bewijzen voor van haar stabiele situatie in België, waaronder een arbeidsovereenkomst en een eigendomsbewijs. Ze benadrukt dat het centrum van de belangen van haar zoon in België ligt, waar hij naar school gaat. Bovendien stelt ze dat er een praktisch opvangprobleem zou ontstaan als het kind niet mee op reis kan, aangezien de vader in de lopende bodemprocedure nog niet is beoordeeld als capabel om voor een langere periode voor het kind te zorgen. De vader (verweerder) verzet zich tegen de reis. Hij voert aan dat er te veel risico's aan verbonden zijn, zoals de lange reisduur, het onveilige verkeer in Kameroen en de aard van de herdenkingsceremonie waarbij volgens hem jachtwapens worden gebruikt. Hij betwijfelt of de moeder voldoende toezicht kan houden en vreest een reëel risico op kinderontvoering, aangezien Kameroen haar land van herkomst is. Het Openbaar Ministerie adviseert negatief, omdat het kind schoolplichtig is en een week school zou missen. De rechtbank beslist in het voordeel van de moeder. De vordering wordt hoogdringend en gegrond verklaard. De rechter oordeelt dat de moeder voldoende heeft aangetoond dat ze de intentie heeft om terug te keren naar België. De door de vader aangehaalde risico's worden als onbewezen of als algemene, niet-onoverkomelijke reisrisico's beschouwd. Het argument van de schoolplicht wordt door de rechter genuanceerd: het missen van één week kleuterschool weegt niet op tegen het belang van het kind om zijn familie te leren kennen. De rechtbank machtigt de moeder om met het kind te reizen en stelt dat het vonnis geldt als de vereiste toestemming voor alle autoriteiten.
Analyse: Politierechtbank legt rijverbod op voor forse snelheidsovertreding in bebouwde kom
In dit vonnis van de Politierechtbank te Leuven van 22 januari 2026 werd een bestuurder veroordeeld voor een aanzienlijke snelheidsovertreding. De beklaagde reed met een gecorrigeerde snelheid van 81 km/u binnen de bebouwde kom, waar een maximumsnelheid van 50 km/u van kracht is. Dit komt neer op een overschrijding van 31 km/u. Het Openbaar Ministerie vorderde een bestraffing op basis van de vastgestelde feiten. De beklaagde, bijgestaan door een advocaat, voerde verweer, hoewel de specifieke argumenten niet in het vonnis worden gedetailleerd. Gezien de aard van de overtreding en de duidelijke bewijslast, was de kans op een vrijspraak gering. De rechtbank achtte de tenlastelegging bewezen. Bij het bepalen van de strafmaat hield de rechter rekening met diverse factoren: de ernst van de feiten (een forse overschrijding in een potentieel gevaarlijke omgeving), de financiële draagkracht en het strafrechtelijk verleden van de beklaagde. De rechter benadrukte dat de straf meerdere doelen dient, waaronder maatschappelijke afkeuring, herstel van het evenwicht, rehabilitatie van de dader en de bescherming van de samenleving. De bestuurder werd veroordeeld tot een geldboete van 240 euro en een rijverbod van 15 dagen. De rechtbank motiveerde de oplegging van het rijverbod expliciet als een efficiënte straf met een zware impact, bedoeld om het rijgedrag van de beklaagde te corrigeren. Naast de boete en het rijverbod werden ook bijdragen aan het Slachtofferfonds en het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand opgelegd, evenals de gerechtskosten. De juridische grondslag voor de veroordeling ligt in artikel 11.1 van de Wegcode en artikel 29§3 van de Wegverkeerswet, die de straffen voor dergelijke zware snelheidsovertredingen regelt.
Rijden met medische aandoening: De dubbele sanctie van een straf en een veiligheidsmaatregel (art. 42 WVW)
In deze zaak boog de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zich over een bestuurder die werd vervolgd voor het besturen van een motorvoertuig terwijl hij leed aan een medische aandoening die hem rij-ongeschikt maakte. De tenlastelegging was gebaseerd op artikel 30, §1, 4° van de Wegverkeerswet, wat het besturen van een voertuig verbiedt wanneer men lijdt aan specifieke, door de Koning bepaalde lichaamsgebreken of aandoeningen. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling, stellende dat de beklaagde een gevaar op de weg vormde door zijn medische toestand. De beklaagde, bijgestaan door zijn advocaat, voerde verweer tegen de beschuldigingen. De precieze aard van de medische aandoening en de specifieke argumenten van de verdediging worden in het vonnis niet gedetailleerd, maar de rechtbank achtte de feiten bewezen. De rechter legde een dubbele sanctie op. Enerzijds een strafrechtelijke veroordeling, bestaande uit een geldboete van €1.600 (waarvan de helft met uitstel voor één jaar) en een tijdelijk verval van het recht tot sturen van 15 dagen. Anderzijds paste de rechtbank artikel 42 van de Wegverkeerswet toe, een veiligheidsmaatregel. Op basis van dit artikel werd de bestuurder lichamelijk of geestelijk ongeschikt bevonden om een motorvoertuig te besturen. Dit resulteerde in een bijkomend verval van het recht tot sturen van onbepaalde duur. Dit tweede rijverbod blijft van kracht totdat de bestuurder kan aantonen dat hij niet langer ongeschikt is. Als voorwaarde voor het herstel in het recht tot sturen, legde de rechtbank de verplichting op om te slagen voor zowel een medisch als een psychologisch onderzoek. Deze maatregel is bedoeld om de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat de bestuurder pas opnieuw de weg op gaat wanneer zijn rijgeschiktheid objectief is vastgesteld. Het vonnis illustreert de strenge aanpak van het gerecht ten aanzien van bestuurders die, bewust of onbewust, een risico vormen door een medische problematiek.
Werkstraf en rijverbod voor jonge bestuurder na positieve drugstest: analyse van ouderlijke aansprakelijkheid
In dit vonnis van de Politierechtbank Antwerpen werd een jonge bestuurder, [PERSOON A], vervolgd voor het besturen van een voertuig onder invloed van drugs. De feiten vonden plaats op [DATUM X] in [GEMEENTE X], waar bij een controle via een speeksel- of bloedanalyse werd vastgesteld dat de bestuurder een verboden stof in zijn organisme had die de wettelijke drempel overschreed, een inbreuk op artikel 37bis van de Wegverkeerswet. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling op basis van de vastgestelde feiten. De beklaagde, bijgestaan door zijn advocaat, betwistte de feiten niet maar verzocht de rechtbank om de oplegging van een werkstraf als hoofdstraf. De ouders van de beklaagde, [PERSOON B] en [PERSOON C], werden eveneens in de zaak betrokken als burgerrechtelijk aansprakelijke partijen, gezien de beklaagde ten tijde van de feiten vermoedelijk minderjarig was. Eén ouder verscheen ter zitting, de andere liet verstek gaan. De rechtbank achtte de tenlastelegging bewezen. Bij de straftoemeting hield de rechter rekening met de ernst van de feiten, maar ook met de persoonlijkheid van de beklaagde en de doelstellingen van de straf, zoals rehabilitatie en maatschappelijke afkeuring. De rechtbank willigde het verzoek van de verdediging in en legde een werkstraf van 50 uren op, die als een constructieve en vormende sanctie werd beschouwd. Voor het geval de werkstraf niet wordt uitgevoerd, werd een subsidiaire geldboete van € 1.600 voorzien. Daarnaast werd de beklaagde een verplicht verval van het recht tot sturen van één maand opgelegd, samen met de gebruikelijke bijdragen aan het Slachtofferfonds en het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand, en de gerechtskosten. Cruciaal in deze zaak is dat de rechtbank de ouders hoofdelijk burgerrechtelijk aansprakelijk verklaarde voor de gerechtskosten en, belangrijker nog, voor de subsidiaire geldboete die verschuldigd zou zijn bij niet-uitvoering van de werkstraf. Deze beslissing steunt op artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, dat een vermoeden van aansprakelijkheid vestigt op ouders voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.
Aankoop wagen met btw-nummer: Ondernemingsrechtbank bevoegd, ook voor natuurlijke persoon
Deze zaak betreft een geschil over de levering van een voertuig dat niet conform de bestelling zou zijn. De eiseres, een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, kocht een BMW X1 van de verwerende autodealer. Bij levering stelde ze vast dat verschillende bestelde opties, zoals specifieke velgen, een verwarmd stuurwiel en verwarmde zetels, ontbraken. Ze vorderde bij de Rechtbank van Eerste Aanleg primair de levering van een nieuw, conform voertuig, subsidiair de installatie van de ontbrekende opties, en uiterst subsidiair een schadevergoeding voor de minderwaarde en het gederfde genot. De verweerster wierp echter onmiddellijk en voorafgaand aan elke discussie over de grond van de zaak, een exceptie van materiële onbevoegdheid op. Volgens de verweerster was niet de Rechtbank van Eerste Aanleg, maar wel de Ondernemingsrechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen. De redenering hierachter was dat de eiseres, hoewel een natuurlijke persoon, handelde in haar hoedanigheid van 'onderneming' in de zin van het Wetboek van Economisch Recht (WER). De rechtbank volgde de argumentatie van de verweerster. De rechter stelde vast dat de eiseres een ondernemingsnummer heeft, dat haar btw-nummer vermeld stond op de koopovereenkomst, en dat een specifieke clausule in de algemene voorwaarden een vermoeden van beroepsmatig gebruik creëerde. Deze clausule stelde dat indien de rubriek over het gebruik van het voertuig (privé of beroepsmatig) niet was ingevuld, het voertuig geacht werd voor beroepsdoeleinden te zijn gekocht als de koper over een btw-nummer beschikte. Aangezien de eiseres de rubriek niet had ingevuld en haar btw-nummer had opgegeven, was dit vermoeden van toepassing. Op basis van deze feitelijke elementen oordeelde de rechtbank dat de aankoop niet 'kennelijk vreemd' was aan de onderneming van de eiseres. Bijgevolg werd het geschil gekwalificeerd als een geschil tussen twee ondernemingen. Krachtens artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek valt een dergelijk geschil onder de exclusieve bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank. De Rechtbank van Eerste Aanleg verklaarde zich daarom materieel onbevoegd en verwees de zaak door naar de Ondernemingsrechtbank van Antwerpen, afdeling Hasselt, voor verdere behandeling, zonder zich uit te spreken over de grond van de vordering (de niet-conforme levering).
Aanrijding in fietszone: Veroordeling voor inhalen, maar schadeclaim slachtoffer afgewezen wegens gebrek aan bewijs
Dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, behandelt een verkeersongeval in een fietszone. De beklaagde, een automobilist, werd vervolgd voor vier tenlasteleggingen na een aanrijding met een fietser. De feiten vonden plaats in [GEMEENTE X] op [DATUM A]. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling op basis van vier inbreuken: het niet kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis (art. 10.1, 3° Wegcode), het inhalen van een fietser in een fietszone (art. 22novies Wegcode), het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen (art. 420 Strafwetboek), en vluchtmisdrijf met gewonden (art. 33 §2 Wegverkeerswet). De beklaagde, bijgestaan door zijn advocaat, betwistte de tenlasteleggingen. De fietser, [PERSOON B], stelde zich burgerlijke partij en vorderde een definitieve schadevergoeding van 500 euro, vermeerderd met interesten en een rechtsplegingsvergoeding. De rechtbank oordeelde dat de eerste drie tenlasteleggingen (niet kunnen stoppen, inhalen in fietszone, onopzettelijke verwondingen) bewezen waren. De rechter achtte de fout van de bestuurder en het oorzakelijk verband met de verwondingen van de fietser vaststaand. Voor de vierde tenlastelegging, het vluchtmisdrijf, sprak de rechtbank de beklaagde vrij wegens twijfel. De rechtbank was niet overtuigd dat de beklaagde de intentie had om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken. Op strafrechtelijk vlak werd de beklaagde veroordeeld tot een geldboete van 400 euro, waarvan de helft met uitstel voor een periode van één jaar. Op burgerrechtelijk vlak werd de vordering van de fietser ontvankelijk verklaard, maar afgewezen als ongegrond. De rechtbank stelde vast dat de burgerlijke partij, ondanks het vaststaan van de aansprakelijkheid van de beklaagde, geen enkel bewijsstuk had voorgelegd om de gevorderde schade te staven. Zonder bewijs van de omvang van de schade kon de rechter de vordering niet toekennen.
Wanneer eindigt de onderhoudsplicht voor een meerderjarig kind dat stopt met studeren? Een analyse
Dit vonnis van de familierechtbank te Hasselt behandelt een geschil over de onderhoudsplicht voor een meerderjarig kind dat haar hogere studies heeft stopgezet. De ouders waren eerder uit elkaar gegaan, waarbij de vader het hoofdverblijf van de twee kinderen had en de moeder een maandelijkse onderhoudsbijdrage van €245 per kind betaalde. Het geschil spitst zich toe op de jongste dochter, die na het behalen van haar middelbaar diploma in de zomer van 2024, haar hogere studies in november 2024 afbrak. De moeder vorderde de stopzetting van de onderhoudsbijdrage vanaf 1 september 2024, omdat de vader naliet te bewijzen dat de dochter nog studeerde. Ze argumenteerde dat de vader zijn informatieplicht schond door haar niet op de hoogte te brengen van de stopzetting van de studies. De vader stelde dat de onderhoudsplicht diende door te lopen. Hij argumenteerde dat de dochter zich in haar 'beroepsinschakelingstijd' bevond, een periode van een jaar waarin schoolverlaters op zoek gaan naar werk alvorens recht te hebben op een uitkering. Gedurende deze periode heeft het kind volgens hem nog geen eigen inkomen en blijft de ouderlijke onderhoudsplicht dus bestaan. Hij gaf aan dat de dochter actief op zoek was naar werk. De rechtbank oordeelde dat het stopzetten van een eerste poging tot hogere studies geen abnormaal studieverloop uitmaakt. De rechter stelde echter ook vast dat de vader systematisch had verzuimd de moeder correct en tijdig te informeren over het studieverloop, wat een belangrijke factor in de beslissing werd. Hoewel de onderhoudsplicht in principe doorloopt tijdens de beroepsinschakelingstijd, besloot de rechtbank hiervan af te wijken. Gezien de actuele, gunstige arbeidsmarkt en het gebrek aan communicatie van de vader, achtte de rechter het redelijk dat de dochter binnen zes maanden na het stopzetten van haar studies werk zou kunnen vinden. Bijgevolg werd de onderhoudsplicht van de moeder beëindigd vanaf 1 mei 2025. De vordering van de moeder werd dus gedeeltelijk toegewezen. Opmerkelijk is dat de moeder, ondanks het verkrijgen van de stopzetting, toch werd veroordeeld tot de gerechtskosten, omdat de vordering van de vader tot voortzetting van de betalingen deels gegrond was voor de periode tot mei 2025.
Kind stopt met studeren: Rechter kort onderhoudsplicht in wegens informatieverzuim en gunstige arbeidsmarkt
Dit vonnis van de familierechtbank te Hasselt behandelt een geschil tussen gescheiden ouders over de onderhoudsbijdrage voor hun meerderjarige dochter, [VOORNAAM A]. De moeder vorderde de beëindiging van haar onderhoudsplicht vanaf 1 september 2024, omdat de dochter haar hogere studies had stopgezet en de vader naliet hierover de nodige bewijsstukken te verstrekken. De feiten tonen aan dat de dochter, na het voltooien van haar middelbare studies in de zomer van 2024, was ingeschreven voor een bacheloropleiding maar deze al snel afbrak. De vader, bij wie de dochter woont en die de onderhoudsbijdrage ontving, argumenteerde dat de onderhoudsplicht doorliep omdat de dochter de intentie had opnieuw te gaan studeren en in de tussentijd actief naar werk zocht. Hij stelde dat de verplichting minstens zou moeten duren tot het einde van de beroepsinschakelingstijd van één jaar, waarna de dochter recht zou hebben op een uitkering. De rechtbank stelde vast dat het afbreken van een eerste poging tot hogere studies geen abnormaal studieverloop vormt dat de onderhoudsplicht onmiddellijk beëindigt. Echter, de rechter hekelde het systematische verzuim van de vader om de moeder correct en tijdig te informeren over het studietraject van de dochter, met name de stopzetting van haar studies. Dit gebrek aan transparantie werd als een belangrijk element in de beoordeling meegenomen. Op basis van de concrete omstandigheden week de rechter af van de standaardregel om de volledige beroepsinschakelingstijd af te wachten. De rechtbank oordeelde dat, gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt, de dochter geacht werd binnen een redelijke termijn werk te kunnen vinden. De rechter stelde deze termijn vast op zes maanden na de stopzetting van haar studies. Bijgevolg werd de onderhoudsverplichting van de moeder beëindigd met ingang van 1 mei 2025. De vordering van de moeder werd dus deels gegrond verklaard, aangezien de betalingsplicht niet stopte op de door haar gevraagde datum, maar wel aanzienlijk werd ingekort.
Onbetaalde factuur: Vrederechter schrapt eenzijdig schadebeding op basis van consumentenrecht
In dit vonnis van het Vredegerecht van het kanton Oudenaarde staat een vordering van een onderneming ([BEDRIJF A]) tegen een consument ([PERSOON A]) centraal betreffende onbetaalde facturen. De eisende partij vorderde een totaalbedrag van € 955,43, bestaande uit de hoofdsom van € 856,39, vermeerderd met een contractueel schadebeding en nalatigheidsinteresten zoals bepaald in haar algemene voorwaarden. De verwerende partij, de consument, betwistte de hoofdsom van de schuld niet. Ter zitting erkende hij de schuld maar verzocht hij, gezien zijn financiële situatie, om de mogelijkheid om het verschuldigde bedrag in maandelijkse termijnen van € 300 af te lossen. De eisende partij liet de beslissing over dit verzoek over aan de wijsheid van de rechtbank. De vrederechter oordeelde dat de hoofdsom van de vordering inderdaad verschuldigd was. De rechter ging echter over tot een ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden van de eisende partij, een bevoegdheid en plicht die voortvloeit uit het Europees consumentenrecht. De rechter stelde vast dat het schadebeding waarop de eisende partij zich beriep, niet wederkerig was. Het legde enkel een sanctie op aan de consument bij wanbetaling, zonder een gelijkwaardige vergoeding te voorzien voor de consument indien de onderneming haar verplichtingen niet zou nakomen. Op basis van artikel VI.83, 17° van het Wetboek Economisch Recht (WER) verklaarde de rechter het schadebeding en de bijhorende conventionele interesten onrechtmatig en dus nietig. Verwijzend naar recente rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (C-625/21), benadrukte de rechter dat wanneer een beding nietig is, de onderneming geen aanspraak kan maken op een vervangende schadevergoeding onder het gemeen recht. De vordering werd bijgevolg gedeeltelijk toegewezen: de hoofdsom werd toegekend, vermeerderd met de wettelijke gerechtelijke intresten, maar de contractuele sancties werden volledig afgewezen. Daarnaast willigde de rechter het verzoek tot een afbetalingsplan in en matigde hij de rechtsplegingsvergoeding tot het minimum, aangezien de verweerder de schuld in hoofdsom niet had betwist.
Rijden onder invloed van amfetamine: Politierechter legt dubbele sanctie op van rijverbod en ongeschiktheid tot sturen
In dit vonnis van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, wordt een bestuurster, mevrouw [PERSOON A], veroordeeld voor het besturen van een voertuig onder invloed van drugs. De feiten vonden plaats op [DATUM Y] te [GEMEENTE Y]. Een speeksel- of bloedanalyse wees de aanwezigheid van amfetamine (AMF) in haar organisme aan, met een gehalte van 1250 ng/ml. Dit gehalte overschrijdt aanzienlijk de wettelijk vastgestelde drempel. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling op basis van artikel 37bis, §1, 1° van de Wegverkeerswet. De verdediging, gevoerd door een advocaat, kon de rechtbank niet overtuigen van de onschuld of van verzachtende omstandigheden, aangezien de tenlastelegging bewezen werd verklaard. De rechtbank besloot de beklaagde te veroordelen tot een geldboete van €1.600 (zijnde €200 vermenigvuldigd met de opdeciemen) en een verval van het recht tot sturen voor een periode van drie maanden. Bovendien werd het herstel van haar recht tot sturen afhankelijk gemaakt van het slagen voor zowel een medisch als een psychologisch onderzoek. De rechtbank benadrukte dat een rijverbod een efficiënte straf is vanwege de zware impact. Cruciaal in deze zaak is dat de rechtbank, naast de strafrechtelijke sanctie, ook een beveiligingsmaatregel oplegde op grond van artikel 42 van de Wegverkeerswet. De rechter oordeelde dat de beklaagde op basis van de beschikbare gegevens lichamelijk of geestelijk ongeschikt was om een motorvoertuig te besturen. Dit resulteert in een bijkomend verval van het recht tot sturen van onbepaalde duur, dat pas kan worden opgeheven wanneer de betrokkene bewijst niet langer ongeschikt te zijn. De beslissing illustreert de strenge aanpak van rijden onder invloed van drugs, waarbij niet alleen een straf wordt opgelegd, maar ook een maatregel ter bescherming van de maatschappij.
Opgevoerde bromfiets leidt tot zware veroordeling: analyse van de juridische valkuilen
In dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, werd een beklaagde vervolgd voor drie cumulatieve verkeersinbreuken. De feiten vonden plaats op [DATUM Y] te [GEMEENTE X], waar de beklaagde een motorrijtuig bestuurde dat niet voldeed aan diverse wettelijke vereisten. De kern van de zaak is dat de beklaagde reed met een zogenaamde 'opgefokte' bromfiets, die door technische aanpassingen niet meer voldeed aan de oorspronkelijke goedkeuring en daardoor in een hogere voertuigcategorie viel. De beklaagde stond terecht voor drie tenlasteleggingen. Ten eerste, het in het verkeer brengen van een motorrijtuig zonder de verplichte verzekering burgerlijke aansprakelijkheid (BA), een inbreuk op de WAM-wet van 21 november 1989. Ten tweede, het besturen van een voertuig dat niet meer gelijkvormig was met het goedgekeurde type, wat een overtreding is van het KB van 10 oktober 1974. Ten derde, het besturen van dit voertuig zonder houder te zijn van het vereiste rijbewijs, een inbreuk op de Wegverkeerswet van 16 maart 1968. De verdediging, gevoerd door een advocaat, kon de rechtbank niet overtuigen van de onschuld van de beklaagde. De rechtbank achtte alle drie de tenlasteleggingen bewezen. De rechter benadrukte de ernst van de feiten en kwalificeerde het gedrag als 'asociaal'. De redenering was dat rijden zonder rijbewijs wijst op een gebrek aan kennis en vaardigheid, terwijl het ontbreken van een verzekering de financiële last van eventuele schade afwentelt op de gemeenschap. Wegens samenloop van de misdrijven werd, conform artikel 65 van het Strafwetboek, enkel de zwaarste straf uitgesproken. De beklaagde werd veroordeeld tot een geldboete van €1.600, waarvan €1.200 effectief en €400 met uitstel voor een proefperiode van één jaar. Daarnaast werd een verval van het recht tot sturen van 21 dagen opgelegd, samen met de verplichte bijdragen aan het Slachtofferfonds en het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand, en de gerechtskosten.
Verplichte persoonlijke verschijning in familiezaken is geen formaliteit: Hof van Beroep verklaart hoger beroep vervallen
Dit arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen behandelt een hoger beroep in een familierechtelijke zaak tussen twee ex-partners betreffende de regelingen voor hun twee minderjarige kinderen. De vader (appellant) was in beroep gegaan tegen een vonnis van de familierechtbank Limburg. Dat vonnis had een week-om-week verblijfsregeling vastgelegd, de vader veroordeeld tot een onderhoudsbijdrage van €35 per maand per kind, en de moeder gemachtigd om het groeipakket en de sociale voordelen te ontvangen. In hoger beroep vorderde de vader de afschaffing van de onderhoudsbijdrage, de verdeling van het groeipakket en de fiscale voordelen, en een uitspraak over de eerste communie van de kinderen. De moeder (geïntimeerde) vroeg de bevestiging van het oorspronkelijke vonnis, of, indien het groeipakket zou worden verdeeld, een aanzienlijk hogere onderhoudsbijdrage. De kern van de zaak draait echter niet om de inhoudelijke geschilpunten, maar om een procedureel aspect. Op de inleidende zitting voor het Hof van Beroep, waarvoor de persoonlijke verschijning van beide partijen wettelijk verplicht is in zaken betreffende minderjarigen, waren noch de vader, noch de moeder aanwezig. Hun advocaten hadden het hof schriftelijk laten weten niet aanwezig te zullen zijn, wat door het hof scherp werd bekritiseerd. Het Hof van Beroep besliste om de zaak niet uit te stellen of inhoudelijk te behandelen. Op basis van artikel 1253ter/2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter de mogelijkheid geeft om de eis vervallen te verklaren bij niet-verschijning, besloot het hof deze sanctie toe te passen. Het hof oordeelde dat de wettelijke verplichting tot persoonlijke verschijning duidelijk was gecommuniceerd en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangevoerd die de afwezigheid rechtvaardigden. Het hof stelde dat het in het belang van de kinderen was om de procedure te beëindigen en de stabiliteit van het vonnis in eerste aanleg te behouden, in plaats van de zaak verder uit te stellen. Bijgevolg werd het hoger beroep van de vader vervallen verklaard, waardoor het vonnis van de eerste rechter definitief werd.
Analyse vonnis: Geldboete én 15 dagen rijverbod voor gsm-gebruik zonder houder
In dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 5 november 2025, stond een bestuurder terecht voor het gebruik van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. De beklaagde werd ervan beschuldigd op een openbare weg in gemeente Z een dergelijk apparaat te hebben gebruikt, vastgehouden of gemanipuleerd zonder dat het in een daartoe bestemde houder was bevestigd, terwijl het voertuig niet stilstond of geparkeerd was. Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling op basis van de vaststellingen die de overtreding van artikel 8.4 van de Wegcode aantoonden. Deze overtreding wordt sinds de wetswijziging van 3 maart 2022 gekwalificeerd als een derdegraads overtreding, wat de zwaardere bestraffing rechtvaardigt. De beklaagde, bijgestaan door een advocaat, voerde verweer tegen de tenlastelegging, hoewel de specifieke argumenten van de verdediging niet in het vonnis worden gedetailleerd. De rechtbank achtte de feiten bewezen. Bij de bepaling van de strafmaat hield de rechter rekening met diverse factoren, waaronder de aard van de feiten, de financiële draagkracht en het strafrechtelijk verleden van de beklaagde. De rechter benadrukte dat het gebruik van een gsm achter het stuur de aandacht van de bestuurder afleidt en de kans op ongevallen aanzienlijk verhoogt. De straf moet dan ook een ontradend effect hebben en de beklaagde aanzetten tot veiliger rijgedrag in de toekomst. De bestuurder werd veroordeeld tot een geldboete van 240 euro, waarvan 120 euro met uitstel voor een proefperiode van één jaar. Daarnaast legde de rechtbank een rijverbod op van 15 dagen. De beklaagde werd eveneens veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds (200 euro), het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand (26 euro) en de gerechtskosten (95,40 euro). De beslissing illustreert de verstrengde aanpak van afleiding achter het stuur, waarbij een rijverbod een quasi-standaard sanctie is geworden.
Geldlening niet terugbetaald? Geen onmiddellijke opeisbaarheid zonder contractuele clausule
Deze zaak betreft een vordering tot terugbetaling van twee persoonlijke geldleningen, verstrekt door eiser aan verweerder voor een totaalbedrag van €18.500. De leningen waren bedoeld voor de aankoop van een bestelwagen en de oprichting van een zaak, met overeengekomen maandelijkse aflossingen. Nadat verweerder in gebreke bleef met de betalingen, stapte de eiser naar de rechtbank. De eiser vorderde in hoofdorde de onmiddellijke ontbinding van de leningsovereenkomsten en de veroordeling van verweerder tot betaling van het volledige openstaande saldo van €12.200. In ondergeschikte orde vorderde hij enkel de betaling van de reeds vervallen en onbetaalde termijnen, met behoud van de oorspronkelijke aflossingsschema's voor de toekomst. Verweerder betwistte de schuld op zich niet, althans niet de vordering in ondergeschikte orde. Hij erkende de achterstallige betalingen maar vroeg de rechtbank om betalingsfaciliteiten toe te kennen in de vorm van een afbetalingsplan van €50 per maand. De eiser verzette zich hier formeel tegen. De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, wees de hoofdvordering van de eiser af. De rechter oordeelde dat een geldlening een eenzijdige overeenkomst is. De sanctie van de gerechtelijke ontbinding wegens wanprestatie, zoals voorzien in artikel 1184 van het oud Burgerlijk Wetboek (nu artikel 5.90 BW), is enkel van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Omdat de uitlener zijn hoofdverbintenis (het ter beschikking stellen van het geld) al heeft volbracht, kan hij de overeenkomst niet laten ontbinden om de onmiddellijke terugbetaling van het volledige kapitaal te eisen. De oorspronkelijke looptijd van de leningen blijft dus gerespecteerd. De rechtbank wees de ondergeschikte vordering wel toe. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van alle op het moment van het vonnis vervallen termijnen, wat neerkwam op een bedrag van €8.000, vermeerderd met de verschuldigde intresten. Het verzoek van verweerder om een afbetalingsplan van €50 per maand werd afgewezen, omdat dit gezien de omvang van de schuld niet als een betaling binnen een redelijke termijn werd beschouwd.
Geldlening niet betaald? Geen ontbinding en onmiddellijke opeisbaarheid zonder expliciet beding
Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg, afdeling Hasselt, behandelt een geschil over de terugbetaling van twee particuliere geldleningen. De eiser had aan de verweerder twee leningen verstrekt voor een totaalbedrag van €18.500, bedoeld voor de aankoop van een bestelwagen en de oprichting van een zaak. De terugbetaling was gespreid over maandelijkse termijnen. Nadat de verweerder in gebreke bleef met de betalingen, stapte de eiser naar de rechtbank. In hoofdorde vorderde hij de onmiddellijke ontbinding van de leningsovereenkomsten en de veroordeling van de verweerder tot betaling van het volledige openstaande saldo van €12.200. In ondergeschikte orde vorderde hij de betaling van de reeds vervallen en onbetaalde termijnen, ten bedrage van €6.800, met behoud van de oorspronkelijke afbetalingsplannen voor de toekomst. De verweerder betwistte de leningen en zijn terugbetalingsplicht niet. Hij erkende de ondergeschikte vordering (de achterstallige termijnen) maar vroeg de rechtbank om betalingsfaciliteiten toe te kennen in de vorm van maandelijkse afbetalingen van slechts €50. De eiser verzette zich hiertegen. De rechtbank wijst de hoofdvordering van de eiser af. De rechter oordeelt dat een geldlening een eenzijdige overeenkomst is. Het stilzwijgend ontbindend beding, dat de ontbinding van een contract mogelijk maakt bij wanprestatie (art. 1184 oud BW, nu art. 5.90 BW), is enkel van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Bijgevolg kan de eiser niet de ontbinding van de leningen en de onmiddellijke opeisbaarheid van het volledige kapitaal vorderen. De oorspronkelijke looptijden van de leningen blijven gerespecteerd. De rechtbank verklaart de ondergeschikte vordering wel gegrond. De verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de vervallen termijnen op het moment van de dagvaarding, vermeerderd met de termijnen die tijdens de procedure zijn vervallen, voor een totaal van €8.000. Het verzoek van de verweerder om betalingsfaciliteiten wordt afgewezen omdat het voorgestelde bedrag van €50 per maand als onredelijk wordt beschouwd, gezien de omvang van de schuld. De rechtbank oordeelt dat de eiser recht heeft op betaling binnen een redelijke termijn.
Studievertraging en Studentenjob: Hof van Beroep Bevestigt Onderhoudsplicht voor Meerderjarig Kind
Deze zaak betreft een geschil over onderhoudsbijdragen voor twee meerderjarige kinderen, volgend op de beëindiging van de feitelijke relatie tussen de ouders. De vader (appellant) tekende hoger beroep aan tegen een vonnis van de familierechtbank dat hem veroordeelde tot een maandelijkse onderhoudsbijdrage van €200 per kind voor zijn twee dochters, [VOORNAAM 1] en [VOORNAAM 3], en tot de helft van de buitengewone kosten. Het standpunt van de vader was dat hij niet langer onderhoudsplichtig zou moeten zijn voor zijn oudste dochter, [VOORNAAM 1], vanwege haar studieverloop, met name een onderbreking van haar studies. Subsidiair vroeg hij een aanzienlijke verlaging van de bijdrage en stelde hij voorwaarden aan de toekomstige betalingen, gekoppeld aan haar studieresultaten. Voor de andere dochter, [VOORNAAM 3], vroeg hij een verlaging van de bijdrage tot €91. De moeder (geïntimeerde) verdedigde het vonnis van de eerste rechter. Daarnaast stelde zij een incidenteel hoger beroep in, waarin ze vorderde om de onderhoudsbijdrage om te zetten in een "all-in" bedrag van €230 per kind, om zo discussies over buitengewone kosten te vermijden. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft zowel het hoger beroep van de vader als het incidenteel hoger beroep van de moeder ongegrond verklaard en het bestreden vonnis volledig bevestigd. Het Hof oordeelde dat de onderhoudsplicht van de vader voor [VOORNAAM 1] blijft voortduren. De studieonderbreking van één jaar werd als gerechtvaardigd beschouwd, gezien de zware medische toestand van de moeder in die periode en het feit dat de dochter haar studies succesvol heeft hervat. Het Hof benadrukte dat inkomsten uit een studentenjob van het kind niet in mindering worden gebracht op de onderhoudsplicht. Na een gedetailleerde herberekening van de financiële draagkracht van beide ouders, concludeerde het Hof dat de opgelegde bijdrage van €200 per kind per maand niet overdreven was. De vordering van de moeder voor een all-in bijdrage werd afgewezen omdat zij niet kon aantonen dat de wettelijke regeling voor buitengewone kosten onwerkbaar was. De juridische grondslag voor de beslissing is de ouderlijke onderhoudsplicht zoals bepaald in artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek.
Echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: akkoord van partner volstaat als bewijs
Dit vonnis van de familie- en jeugdrechtbank te Brugge behandelt een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (E.O.O.), ingesteld door de echtgenoot. De zaak wordt gekenmerkt door de context van aanhoudende spanningen door de voortdurende samenwoning van de partijen na de beslissing om te scheiden. De eisende partij, de echtgenoot, vordert de echtscheiding op basis van artikel 229 §3 van het oud Burgerlijk Wetboek, stellende dat de voortzetting van het huwelijk onmogelijk is geworden. Tijdens de procedure verklaart de verwerende partij, de echtgenote, zich akkoord met de echtscheidingsvordering. Naast de echtscheiding zelf, worden ook voorlopige maatregelen besproken. De echtgenote vraagt om een verlenging van de termijn om de gezinswoning te verlaten, wat door de rechtbank wordt geweigerd omwille van de hoogoplopende spanningen. Partijen bereiken wel een tijdelijk akkoord over een week-week verblijfsregeling voor een van de kinderen en over de verdeling van het groeipakket. De rechtbank beslist in dit vonnis enkel over de echtscheiding en de daaruit voortvloeiende vereffening-verdeling. De rechter stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor een E.O.O. is voldaan. De onherstelbare ontwrichting wordt als bewezen beschouwd, niet door feiten van de ontwrichting zelf, maar door het akkoord van de verweerster met de vordering in de loop van de procedure, in combinatie met het verstrijken van de wettelijk voorgeschreven termijnen. Bijgevolg spreekt de rechtbank de echtscheiding tussen de partijen uit. Aangezien de partijen geen overeenstemming konden bereiken over de keuze van een notaris voor de verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen, stelt de rechtbank ambtshalve een notaris-vereffenaar aan. De beslissingen over de overige geschilpunten, zoals de definitieve verblijfsregeling voor de kinderen, onderhoudsbijdragen en de verdeling van de gerechtskosten, worden aangehouden en naar een latere zitting verwezen. Het vonnis benadrukt dat de uitspraak over de echtscheiding zelf niet uitvoerbaar bij voorraad is.
Afrekening na feitelijke samenwoning: wanneer een 'lening' een ongerechtvaardigde verrijking wordt
Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, behandelt een financieel geschil tussen twee ex-partners na het beëindigen van hun feitelijke samenwoning. De eiseres vorderde een bedrag van € 33.448,98 van haar ex-partner, de verweerder. De kern van de zaak draait om verschillende betalingen die de eiseres tijdens de relatie heeft gedaan, voornamelijk voor de aankoop van diverse voertuigen en een persoonlijke overschrijving. De eiseres stelde in hoofdorde dat deze betalingen leningen waren die de verweerder diende terug te betalen. Ze baseerde haar vordering op een reeks bankoverschrijvingen. In ondergeschikte orde, mocht de rechtbank de leningsovereenkomst niet bewezen achten, beriep de eiseres zich op het principe van de ongerechtvaardigde verrijking. Ze argumenteerde dat haar vermogen was verarmd ten voordele van het vermogen van de verweerder, zonder dat hier een juridische rechtvaardiging voor bestond. De verweerder betwistte de vordering. Hij ontkende het bestaan van een leningsovereenkomst en voerde aan dat de betalingen een andere oorzaak hadden. Voor sommige transacties stelde hij dat hij de eiseres al (gedeeltelijk) had terugbetaald, terwijl hij voor andere beweerde dat de transacties voor rekening en voordeel van de eiseres zelf waren. De rechtbank oordeelde dat de eiseres het bestaan van een leningsovereenkomst niet kon bewijzen. Volgens de wet (art. 8.9 BW) vereist een lening van meer dan € 3.500 een ondertekend geschrift, wat in dit geval ontbrak. De vermelding 'lening' op een bankafschrift volstond niet als bewijs van de contractuele terugbetalingsplicht. Vervolgens onderzocht de rechtbank de subsidiaire vordering op basis van ongerechtvaardigde verrijking. Hierin volgde de rechtbank de eiseres grotendeels. De rechtbank analyseerde elke betaling afzonderlijk en stelde vast dat voor een groot deel van de transacties inderdaad sprake was van een vermogensverschuiving zonder juridische oorzaak. De betalingen konden niet worden beschouwd als een bijdrage in de normale kosten van de samenwoning, noch als een schenking. De rechtbank verwierp de vordering voor de posten waarvan werd aangetoond dat ze ten goede kwamen aan de eiseres zelf (bv. door inruil van een wagen). Uiteindelijk werd de vordering gedeeltelijk toegewezen voor een bedrag van € 25.590,00, te vermeerderen met intresten. De verweerder werd als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de gerechtskosten.
Dwangsom wegens snoeiplicht niet opgeheven: laattijdige vergunningsaanvraag en rancuneus gedrag sanctioneerd
Deze zaak betreft een vordering tot opheffing of opschorting van een dwangsom die eerder werd opgelegd in een geschil over burenhinder. In een vorig vonnis van het Vredegerecht Brugge werd de eiseres (destijds verweerster) veroordeeld tot het snoeien van overhangende takken van een zomereik en esdoorn, en het inkorten van een haag. Aan deze verplichting werd een dwangsom gekoppeld van een bepaald bedrag per dag vertraging, te rekenen vanaf één maand na betekening van het vonnis. De eiseres vraagt nu de opheffing of minstens de opschorting van deze dwangsommen. Ze argumenteert dat ze de snoeiwerken niet tijdig kon uitvoeren omdat hiervoor een omgevingsvergunning vereist was. Ze stelt dat de dwangsom pas zou mogen lopen vanaf het moment dat de vergunning is verleend. Daarnaast voert ze aan dat de snoei niet in de zomermaanden kon plaatsvinden om schade aan de bomen en verstoring van het broedseizoen te voorkomen. De verwerende partijen (de buren) verzetten zich tegen deze vordering. Zij stellen dat de eiseres de uitvoering van het vonnis moedwillig vertraagt. Ze wijzen erop dat de eiseres pas zeer laat de vergunningsaanvraag heeft ingediend, lang na het oorspronkelijke vonnis. Bovendien benadrukken ze het rancuneuze gedrag van de eiseres, die onder meer beroep aantekende tegen een omgevingsvergunning van de buren en betrokken was bij een fysiek incident. De vrederechter wijst de vordering van de eiseres af als ongegrond. De rechter oordeelt dat er geen sprake is van onmogelijkheid om het vonnis uit te voeren. De noodzaak om een vergunning aan te vragen was voorzienbaar en de eiseres is zelf verantwoordelijk voor de laattijdige aanvraag. De rechter stelt vast dat de eiseres haar tijd en energie heeft besteed aan 'rancuneus en recalcitrant' gedrag in plaats van aan de uitvoering van het vonnis. De argumenten over het snoeiseizoen en de bescherming van vogels worden als drogredenen ('pour les besoins de la cause') van tafel geveegd, mede omdat de beroepsrechter dit argument al had verworpen. De vrederechter concludeert dat de dwangsom noodzakelijk blijft om de eiseres tot naleving van haar verplichtingen te dwingen en het evenwicht tussen de buren te herstellen.
Hof van Beroep: Onderhoudsplicht voor kind primeert op collectieve schuldenregeling
Dit arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen behandelt een geschil over de hoogte van de onderhoudsbijdrage voor een minderjarige zoon. De moeder tekende hoger beroep aan tegen een vonnis van de familie- en jeugdrechtbank, dat de door de vader te betalen onderhoudsbijdrage had verlaagd van 500 euro (vastgesteld bij een verstekvonnis in 2017) naar 200 euro per maand. De vader, die lange tijd in het buitenland verbleef en in een collectieve schuldenregeling zit, had met succes een herziening gevraagd op basis van zijn gewijzigde financiële situatie. De moeder (appellante) vorderde in beroep een all-in onderhoudsbijdrage van 500 euro per maand. Zij is invalide en heeft een netto-inkomen van circa 1.980 euro, aangevuld met een sociale toeslag uit het Groeipakket. De vader (geïntimeerde) ontvangt een leefloon van 1.298 euro per maand en woont in een voorziening voor beschut wonen. Hij heeft al meer dan tien jaar geen contact meer met zijn zoon. Het hof oordeelde dat het hoger beroep van de moeder ongegrond was. De kern van de beslissing ligt in de berekening van de draagkracht van beide ouders. Het hof stelde expliciet dat de collectieve schuldenregeling van de vader niet in rekening wordt gebracht bij het bepalen van zijn draagkracht voor kinderalimentatie, omdat de onderhoudsplicht ten aanzien van kinderen primeert op andere schulden. Na een gedetailleerde berekening, waarbij rekening werd gehouden met de respectievelijke inkomens, de kosten van het kind (geschat op 576 euro/maand) en het Groeipakket, kwam het hof tot de conclusie dat de theoretische bijdrage van de vader 176 euro per maand zou moeten bedragen (inclusief een aandeel in de buitengewone kosten). Aangezien dit bedrag lager is dan de 200 euro die in eerste aanleg werd toegekend en de vader geen incidenteel beroep had ingesteld om dit bedrag verder te verlagen, werd het vonnis van de eerste rechter bevestigd. De moeder werd in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.
Bewijslast bij Huur: Wanneer een Factuur Niet Volstaat en een E-mail Wel
Een autoverhuurbedrijf ([BEDRIJF A] BV) vorderde betaling van een factuur van € 7.355,25 van een particulier ([PERSOON A]) voor het gebruik van vier verschillende wagens over een periode van ongeveer zes maanden. De eiseres stelde dat de wagens ter beschikking werden gesteld in afwachting van een definitieve aankoop door de verweerder, die uiteindelijk niet doorging. De huurvergoeding was volgens haar verschuldigd omdat de aankoopvoorwaarde niet werd vervuld. De verweerder betwistte de vordering volledig. Hij voerde aan dat de wagens hem kosteloos ter beschikking werden gesteld als commerciële geste. Bovendien ontkende hij formeel zijn handtekening op een voorgelegde huurovereenkomst voor het laatste voertuig en vroeg hij een valsheidsonderzoek. Volgens hem was het de eiseres die eenzijdig besloot geen wagen meer aan hem te verkopen. De rechtbank wees de vordering grotendeels af en kende slechts een bedrag van € 342,70 toe. De rechter oordeelde dat de bewijslast voor het bestaan van een huurovereenkomst volledig bij de eiseres lag. De voorgelegde factuur had op zich geen bewijskracht tegenover een particulier. De betwiste handtekening op de overeenkomst ontnam ook dit document zijn bewijswaarde, aangezien de eiseres naliet een schriftonderzoek te vorderen om de echtheid te bewijzen. De doorslaggevende factor was echter een e-mail van de verweerder zelf. Daarin verzocht hij de eiseres, na het ophalen van de laatste wagen, om een factuur op te stellen voor "de huur van de wagen zoals contractueel vastgelegd". De rechtbank beschouwde dit als een onmiskenbare buitengerechtelijke bekentenis van het bestaan van een huurovereenkomst, althans voor dat laatste voertuig. De uitleg van de verweerder dat hij hiermee een ontkenning wilde uitlokken, werd als "potsierlijk en absurd" van de hand gewezen. Omdat de bekentenis enkel sloeg op de laatste wagen, en er voor de andere drie wagens geen enkel bewijs van een huurcontract was, werd de vordering voor die periode afgewezen. Het toegekende bedrag was het gefactureerde bedrag voor de laatste wagen, dat door de verweerder niet cijfermatig werd betwist.
Uitvoerbaarheid bij Voorraad in Hoger Beroep: Een Kansloze Missie na Potpourri V
Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, behandelt een hoger beroep in een burenruzie. De oorspronkelijke zaak voor het Vredegerecht betrof een vordering van de geïntimeerden tegen de appellante ([PERSOON A]) wegens hinder door overhangende takken en een te hoge haag. De vrederechter had de vordering gegrond verklaard en [PERSOON A] veroordeeld tot het snoeien van de bomen en het inkorten van de haag, op straffe van een dwangsom van €350 per dag vertraging. Het vonnis werd, zoals de wet voorschrijft, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [PERSOON A] stelde hoger beroep in en vorderde in een inleidende zitting specifiek de opheffing, minstens de opschorting, van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis. Subsidiair vroeg ze de opheffing of opschorting van de opgelegde dwangsom. De appellante argumenteerde dat de tenuitvoerlegging haar onherstelbare schade zou berokkenen en baseerde zich op oudere rechtspraak die in uitzonderlijke gevallen een schorsing toeliet. De rechtbank van eerste aanleg wijst alle vorderingen van de appellante af. De rechter oordeelt dat de mogelijkheid om in hoger beroep de uitvoerbaarheid bij voorraad aan te vechten, sinds de Potpourri V-wet van 2017 zeer beperkt is. De hoofdregel is dat vonnissen uitvoerbaar zijn niettegenstaande beroep. Een appelrechter kan enkel tussenkomen wanneer de eerste rechter expliciet is afgeweken van de wettelijke regels omtrent uitvoerbaarheid, wat hier niet het geval was. De vrederechter had louter de standaardregel toegepast. De rechtbank stelt expliciet dat oudere cassatierechtspraak die een mildering van dit principe toeliet, niet langer van toepassing is na de wetswijziging. Wat de dwangsom betreft, oordeelt de rechtbank dat er geen reden is om deze op te heffen. Voor de vordering tot opschorting van de looptijd van de dwangsom verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Op basis van artikel 1385quinquies Ger.W. en rechtspraak van het Benelux Gerechtshof moet een dergelijke vordering worden gericht aan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, in casu de vrederechter. Het hoger beroep van [PERSOON A] op dit procedurele punt is dus volledig ongegrond.
Gerechtelijke Verdeling Nalatenschap: Familierechtbank Stelt Notaris aan bij Onenigheid Tussen Erfgenamen
Dit vonnis van de Familie- en Jeugdrechtbank te Dendermonde behandelt een vordering tot gerechtelijke vereffening en verdeling van een nalatenschap. De partijen in de zaak zijn drie zussen, die de enige wettige en reservataire erfgenamen zijn van hun overleden moeder. De eiseres stelde vast dat het na het overlijden van hun moeder onmogelijk was om tot een minnelijke, ofwel onderlinge, verdeling van de erfenis te komen. Geconfronteerd met deze impasse, besloot zij de rechtbank te vatten om de gerechtelijke uitonverdeeldheidtreding te vorderen en de aanstelling van een notaris-vereffenaar te vragen om dit proces te leiden. De twee verwerende zussen betwistten de vordering niet. Zij erkenden impliciet de onmogelijkheid om tot een akkoord te komen en verzetten zich niet tegen de tussenkomst van de rechtbank en de aanstelling van een notaris. Hun standpunt was dus passief, wat de procedure aanzienlijk vereenvoudigde. De rechtbank stelde eerst haar bevoegdheid vast, zowel materieel (op basis van art. 572bis, 9° Ger.W. voor de familierechtbank) als territoriaal (op basis van art. 627, 3° Ger.W., de plaats waar de erfenis is opengevallen). Ten gronde baseerde de rechter zijn beslissing op het fundamentele principe van artikel 4.66 van het Burgerlijk Wetboek (voorheen artikel 815 oud BW), dat stelt dat niemand gedwongen kan worden in onverdeeldheid te blijven. Aangezien de partijen niet tot een akkoord kwamen, was de vordering tot gerechtelijke verdeling gegrond. Omdat de partijen geen gezamenlijk voorstel voor een notaris deden, stelde de rechtbank ambtshalve een notaris-vereffenaar aan conform artikel 1210 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank besliste verder dat de gerechtskosten, die het gevolg zijn van een procedure die alle erfgenamen ten goede komt, door de 'massa' (de nalatenschap zelf) gedragen moeten worden. Concreet betekent dit dat elke zus een derde van de kosten draagt. Er werd geen rechtsplegingsvergoeding toegekend.
Rechtbank stelt notaris aan voor verdeling nalatenschap: het recht om uit onverdeeldheid te treden bevestigd
Dit vonnis van de Familie- en jeugdrechtbank te Dendermonde behandelt een vordering tot gerechtelijke vereffening en verdeling van een nalatenschap. De partijen in de zaak zijn drie zussen, de enige wettige erfgenamen van hun overleden moeder. Na het overlijden van hun moeder konden de zussen niet tot een minnelijke schikking komen over de verdeling van de erfenis. De eisende partij, een van de zussen, heeft daarom de andere twee zussen gedagvaard met als doel de rechtbank te verzoeken een notaris-vereffenaar aan te stellen. Deze notaris zou dan de opdracht krijgen om de nalatenschap op een gerechtelijke wijze te vereffenen en te verdelen. De twee verwerende zussen hebben deze vordering niet betwist en verschenen in persoon op de zitting zonder verweer te voeren tegen het principe van de gerechtelijke verdeling. De rechtbank stelde eerst haar bevoegdheid vast. Materieel is de familierechtbank bevoegd voor geschillen over nalatenschappen op grond van artikel 572bis, 9° van het Gerechtelijk Wetboek. Territoriaal is de rechtbank van de plaats waar de erfenis is opengevallen bevoegd, conform artikel 627, 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Ten gronde baseerde de rechter zijn beslissing op het fundamentele principe van artikel 815 van het oud Burgerlijk Wetboek (nu artikel 4.66 BW), dat stelt dat niemand gedwongen kan worden in onverdeeldheid te blijven. Aangezien een minnelijke verdeling onmogelijk bleek, willigde de rechtbank de vordering in. Omdat de partijen geen gezamenlijk voorstel voor een notaris deden, stelde de rechtbank ambtshalve een notaris-vereffenaar aan. De gerechtskosten, inclusief rolrechten en dagvaardingskosten, werden ten laste van de massa (de nalatenschap) gelegd en gelijk verdeeld over de drie erfgenamen. Er werd geen rechtsplegingsvergoeding toegekend, aangezien de procedure alle partijen ten goede komt.
Uitvoering onderhoudsgeld: beslagrechter corrigeert afrekening maar oordeelt uitvoering principieel terecht
Deze zaak betreft een verzetprocedure voor de beslagrechter, ingesteld door een moeder ([PERSOON A]) tegen haar ex-partner ([PERSOON B]). De ex-partner had een bevel tot betalen laten betekenen om achterstallig onderhoudsgeld en bijzondere kosten voor hun twee gemeenschappelijke kinderen te innen, gebaseerd op een eerder vonnis van de familierechtbank van 14 september 2022. De moeder betwistte de hoogte van het gevorderde bedrag. De eiseres (de moeder) voerde aan dat de afrekening van de verweerder (de vader) op verschillende punten onjuist was. Ten eerste claimde ze dat het onderhoudsgeld voor de maanden waarin de onderhoudsplicht was gestart, pro rata berekend moest worden en niet voor de volledige maand. Ten tweede betwistte ze de kwalificatie van bepaalde schoolkosten als 'bijzondere kosten' omdat deze volgens haar niet voldeden aan de strikte definitie in het oorspronkelijke vonnis. Ze vorderde de nietigverklaring van het bevel, opschorting van de invordering, een schadevergoeding voor tergende en roekeloze uitvoering, en de vrijgave van in beslag genomen gelden. De verweerder stelde dat de bedragen wel degelijk verschuldigd waren en de uitvoering dus terecht was. Hij vroeg de rechtbank het verzet ongegrond te verklaren en te bevestigen dat het gevorderde bedrag correct was op het moment van de betekening. De beslagrechter oordeelde dat het verzet 'in zeer beperkte mate gegrond' was. De rechter volgde de eiseres in haar argument dat de onderhoudsgelden voor de startmaanden pro rata berekend moesten worden. Ook oordeelde de rechter dat een deel van de gevorderde schoolkosten inderdaad niet voldeed aan de definitie van bijzondere kosten uit de uitvoerbare titel, omdat de verweerder niet kon aantonen dat het ging om 'noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal'. Andere kosten, zoals het schooluniform en de boerderijklassen, werden wel als terecht gevorderd beschouwd. De rechtbank stelde vast dat de verweerder terecht tot uitvoering was overgegaan omdat er effectief een schuld bestond, maar voor een te hoog bedrag. Omdat de uitvoering in principe gerechtvaardigd was, werd de vordering tot schadevergoeding afgewezen en werd de eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld tot de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding.
Verstekvonnis: De Rechter als Beschermer tegen Buitensporige Schadebedingen en Interesten
Dit vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge, behandelt een vordering tot betaling ingesteld door [BEDRIJF A] NV tegen [BEDRIJF B] CommV en diens zaakvoerder [PERSOON A]. De gedaagden lieten verstek gaan en verschenen niet voor de rechtbank. De eisende partij vorderde de betaling van een onbetaald bedrag, vermeerderd met contractueel overeengekomen schadevergoeding en moratoire interesten. Gezien de gedaagden niet verschenen, werden de feiten zoals uiteengezet in de dagvaarding niet betwist. De kern van de zaak ligt echter niet in de feiten, maar in de beoordeling door de rechtbank van de gevorderde bedragen. Ondanks het verstek van de gedaagden, past de rechtbank een ambtshalve toetsing toe. Dit betekent dat de rechter op eigen initiatief nagaat of de gevorderde bedragen, met name de schadevergoeding en de interesten, niet strijdig zijn met de openbare orde of kennelijk onredelijk zijn. De rechtbank beslist om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen. De hoofdsom wordt volledig toegekend. De bijkomende vorderingen worden echter aanzienlijk gematigd. De rechtbank herleidt de schadevergoeding tot een forfaitair bedrag van €40, verwijzend naar de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand. De gevorderde moratoire interesten worden vastgesteld op 8% per jaar, wat de wettelijke interestvoet is voor handelstransacties. De rechtbank veroordeelt de gedaagden solidair tot betaling van de hoofdsom, de gematigde schadevergoeding, de berekende interesten en de gerechtskosten, waaronder de minimale rechtsplegingsvergoeding. Het vonnis illustreert de actieve rol van de rechter als bewaker van de openbare orde, zelfs wanneer een partij geen verweer voert.
Rijden met medische aandoening: De dubbele sanctie van een straf en een veiligheidsmaatregel (art. 42 WVW)
Rijden onder invloed met herhaling: De impact van een bijkomende ongeschiktverklaring (Art. 42 WVW)
De valkuil van de gemengde verweerder: Ondernemingsrechtbank verklaart zich onbevoegd
Onbetaalde factuur: Vrederechter schrapt eenzijdig schadebeding op basis van consumentenrecht
Werkstraf voor leerling-bestuurder na stapel aan verkeersinbreuken: analyse van samenloop en sanctie