Terug naar Rechtspraak
    Strafrecht
    Veroordeling

    Slagen en diefstal met geweld: probatie-uitstel

    Mr. Chanel Ribas ColomarRechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen - Afdeling Brugge3 april 2026Gepubliceerd Bijgewerkt 96 weergaven
    Delen:
    Strafrecht - Slagen en diefstal met geweld: probatie-uitstel

    Samenvatting van de Zaak

    Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, behandelt twee gewelddadige incidenten gepleegd door eenzelfde jonge beklaagde op één nacht. De zaken werden gevoegd. Het eerste feit betreft opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht aan twee slachtoffers. Het tweede feit, in dezelfde nacht, betreft een diefstal met geweld of bedreiging met verzwarende omstandigheden (bij nacht en door twee of meer personen) ten nadele van een derde slachtoffer, waarbij de beklaagde eerst diens hoofdtelefoon wegnam en hem, nadat hij hem had aangevallen, zijn cash geld afhandig maakte. De beklaagde, een jongvolwassene met een blanco strafblad en een psychisch kwetsbaar profiel, betwistte de feiten niet. Zijn verdediging vroeg om een probatie-opschorting. De burgerlijke partijen vorderden een schadevergoeding. De rechtbank achtte alle feiten bewezen op basis van camerabeelden, getuigenverklaringen en, voor het tweede incident, de bekentenis van de beklaagde. De rechter herkwalificeerde de slagen aan een van de slachtoffers naar het zwaardere misdrijf van slagen met ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg (art. 399 oud Sw.). Gelet op de ernst van de feiten, met name de escalerende agressie, wees de rechtbank de gevraagde opschorting af. De beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, volledig met uitstel voor een proefperiode van drie jaar, gekoppeld aan probatievoorwaarden zoals agressiebegeleiding en het vergoeden van de slachtoffers. Op burgerlijk vlak werden de vorderingen gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank matigde de gevorderde bedragen voor tijdelijke ongeschiktheid. De vordering voor blijvende ongeschiktheid werd geherkwalificeerd naar esthetische schade en als zodanig begroot. De totale schadevergoeding voor het zwaarst getroffen slachtoffer werd vastgesteld op € 1.892,02. De rechtsplegingsvergoeding werd verminderd wegens de overwaardering van de oorspronkelijke claim.

    Uitkomst:
    Veroordeling

    Kernpunten

    • 1Een medisch attest dat enige ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid vaststelt, kan leiden tot een herkwalificatie van slagen en verwondingen naar een zwaarder misdrijf (art. 399 oud Sw.).
    • 2Bij ernstige geweldsfeiten kan een rechter een probatie-uitstel verkiezen boven een opschorting om de ernst te benadrukken, zelfs bij een blanco strafblad en verzachtende omstandigheden.
    • 3Bij een kennelijke overwaardering van de vordering kan de rechter de rechtsplegingsvergoeding berekenen op het toegekende bedrag in plaats van op het gevorderde bedrag.

    Juridische Analyse

    De strafrechtelijke beoordeling: Herkwalificatie en straftoemeting

    Dit vonnis biedt een verhelderend inzicht in hoe de strafrechter omgaat met geweldsdelicten gepleegd door een jonge, voorheen onbekende dader. De analyse van de rechtbank spitst zich toe op twee cruciale aspecten: de correcte juridische kwalificatie van de feiten en de keuze voor een geïndividualiseerde, maar duidelijke straf.

    De herkwalificatie van slagen en verwondingen (art. 399 oud Sw.; sinds 1 september 2026: art. 195 Sw.)

    Een sleutelelement in deze zaak is de herkwalificatie van de feiten ten aanzien van een van de slachtoffers. De oorspronkelijke tenlastelegging was opzettelijke slagen en verwondingen (art. 398 oud Sw.). De rechtbank besloot echter, op basis van een medisch attest, om de feiten te herkwalificeren naar het zwaardere misdrijf van opzettelijke slagen met ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg (art. 399, lid 1 oud Sw.).

    De rechtbank steunt hierbij op rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 19 april 2006 en Cass. 3 januari 2018):

    De ongeschiktheid om persoonlijke arbeid te verrichten, bedoeld in artikel 399 Strafwetboek, bestaat in de ongeschiktheid van het slachtoffer om enige lichamelijke arbeid te verrichten. Deze verzwarende omstandigheid, die enkel rekening houdt met de ernst van de verwondingen zonder rekening te houden met de maatschappelijke positie van het slachtoffer, is van toepassing zelfs indien het slachtoffer geen enkele bezoldigde activiteit uitoefent en ongeacht de omvang van de ongeschiktheid.

    Het begrip 'ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid' is dus niet beperkt tot de onmogelijkheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen: het gaat om de ongeschiktheid om enige lichamelijke arbeid te verrichten, ook als het slachtoffer geen bezoldigde activiteit uitoefent. Het medisch attest dat een tijdelijke economische ongeschiktheid vermeldde wegens een gehechte lipwonde en kneuzingen was voor de rechtbank voldoende om de verzwarende omstandigheid aan te nemen. De graad van ongeschiktheid is daarbij niet relevant; het loutere bestaan van een reële ongeschiktheid volstaat.

    De keuze van de straf: Tussen bestraffing en reclassering

    De straftoemeting vormt een delicate evenwichtsoefening. Enerzijds houdt de rechtbank rekening met het blanco strafregister van de beklaagde en met zijn persoonlijkheid: een jongvolwassene met een psychisch kwetsbaar profiel, die zich ter zitting probleembewust toonde. Anderzijds wegen de feiten zwaar door: de rechtbank ziet een buitensporige agressiviteit die gedurende één nacht in opeenvolgende en escalerende fasen werd uitgewerkt op hulpeloze slachtoffers, met als dieptepunt wat de rechtbank omschreef als het 'absoluut verwerpelijk' doorzoeken van de zakken van een weerloos slachtoffer.

    De rechtbank wijst de door de verdediging gevraagde opschorting van de uitspraak af. Dit is een gunstmaatregel waarbij de rechter de schuld vaststelt, maar de uitspraak over de straf voor een proefperiode uitstelt. De rechtbank oordeelt dat de feiten te ernstig zijn voor een dergelijke maatregel en dat een maatschappelijke terechtwijzing in de vorm van een straf zich opdringt.

    Ook een autonome probatiestraf wordt verworpen omdat het een onvoldoende krachtig signaal zou vormen. De rechtbank kiest bewust voor een gevangenisstraf van twee jaar met probatie-uitstel voor een periode van drie jaar. Volgens de rechtbank is die straf meer 'voelbaar' en minder vrijblijvend dan een autonome probatiestraf. De veroordeling wordt effectief uitgesproken en op het strafregister vermeld. De tenuitvoerlegging wordt echter opgeschort, op voorwaarde dat de beklaagde zich aan strikte voorwaarden houdt. Deze voorwaarden, die de beklaagde aanvaardde, steunen op de aanbevelingen van de gerechtspsychiater en -psycholoog en op de werkpunten uit de periode van vrijheid onder voorwaarden. Ze omvatten onder meer de verderzetting van de agressiebegeleiding, het vinden en behouden van vast werk en het vergoeden van de burgerlijke partijen.

    Deze aanpak toont aan dat het probatie-uitstel een krachtig instrument is om zowel bestraffing (de veroordeling zelf) als reclassering (de voorwaarden) te combineren. Het fungeert als een 'zwaard van Damocles': bij niet-naleving van de voorwaarden kan de gevangenisstraf alsnog worden uitgevoerd.

    De burgerrechtelijke vordering: Een gedetailleerde schadebegroting

    Het vonnis biedt een schoolvoorbeeld van hoe een rechter een burgerlijke vordering tot schadevergoeding na een misdrijf beoordeelt. De vordering van een van de slachtoffers wordt nauwgezet ontleed en op verschillende punten gematigd.

    Analyse van de schadeposten

    De rechtbank overloopt elke schadepost en toetst de gevorderde bedragen aan de principes van redelijkheid en billijkheid, en aan de bewijslast die op het slachtoffer rust.

    • Tijdelijke ongeschiktheden: Het slachtoffer claimde 100% persoonlijke en 35% huishoudelijke ongeschiktheid. De rechtbank oordeelt dat deze percentages niet bewezen zijn en een overschatting vormen. Ze begroot de schade ex aequo et bono op een lager bedrag (€ 250 voor persoonlijke en € 45 voor huishoudelijke ongeschiktheid), wat de noodzaak onderstreept om de omvang van de ongeschiktheid concreet te staven.
    • Esthetische schade: Het litteken aan de bovenlip wordt als esthetische schade gekwalificeerd. De rechtbank inspecteert het litteken zelf ter zitting en houdt rekening met de plaats van de ontsiering (het aangezicht), de leeftijd van het slachtoffer en zijn professionele en sociale activiteiten. Volgens de foto's wordt het litteken op heden door baardgroei gemaskeerd. De rechtbank volgt het advies van de behandelende arts (schaal 1/7) en begroot de schade ex aequo et bono op € 565.
    • Morele schade: De rechtbank erkent de gevoelens van pijn, smart of enig ander moreel lijden en kent ex aequo et bono een vergoeding van € 550 toe. Ze verwijst expliciet naar de door het slachtoffer ter zitting omschreven angstgevoelens en het onveiligheidsgevoel. Dit toont het belang aan van een persoonlijke en doorleefde getuigenis van het slachtoffer tijdens de zitting.
    • Rechtsplegingsvergoeding (RPV): Omdat de rechtbank oordeelde dat er sprake was van een "kennelijke overwaardering van de vorderingen", wordt de RPV berekend op basis van het effectief toegekende bedrag (€ 1.892,02) en niet op het oorspronkelijk gevorderde bedrag (€ 5.499,52). Dit resulteert in een aanzienlijk lagere RPV (€ 627,91 i.p.v. het gevorderde € 3.200,00).

    Praktische implicaties en aanbevelingen

    Voor slachtoffers van geweldsmisdrijven

    • Medische vaststellingen zijn cruciaal: Laat letsels onmiddellijk vaststellen door een arts. Een gedetailleerd attest is niet alleen essentieel voor de schadevergoeding, maar kan ook leiden tot een zwaardere strafrechtelijke kwalificatie voor de dader (art. 399 oud Sw.).
    • Documenteer alle schade: Bewaar alle bewijsstukken van kosten (medische facturen, apothekersbriefjes, aankoopbewijzen van beschadigde kledij). Maak foto's van letsels en materiële schade.
    • Wees realistisch in uw vordering: Een overdreven schadeclaim kan zich tegen u keren. De rechter zal de vordering kritisch toetsen en kan een lagere rechtsplegingsvergoeding toekennen als de claim als 'kennelijk overgewaardeerd' wordt beschouwd.
    • Persoonlijke aanwezigheid op de zitting: De mogelijkheid om zelf de impact van de feiten (bv. morele schade) toe te lichten, kan de rechter overtuigen en een positieve invloed hebben op de hoogte van de toegekende vergoeding.

    Voor beklaagden en hun verdediging

    • Een proactieve houding telt mee: De rechtbank hield rekening met het probleeminzicht van de beklaagde en koppelde het uitstel aan voorwaarden die aansluiten bij de reeds opgestarte agressiebegeleiding en de aanbevelingen van de deskundigen.
    • Documenteer persoonlijke omstandigheden: Het voorleggen van verslagen over de persoonlijke situatie en het kaderen van de feiten in een moeilijke context kan de rechter helpen om een meer geïndividualiseerde straf op te leggen die gericht is op reclassering.
    • Ernst van de feiten primeert: In deze zaak volstond een blanco strafblad niet voor een opschorting van de uitspraak, gelet op de aard en de ernst van de feiten.

    Wat sinds 1 september 2026 anders is

    De exacte datum van de feiten is in de gepubliceerde versie weggelaten, maar de feiten gaan vooraf aan het vonnis van 3 april 2026. Het Strafwetboek van 1867 bleef er dus op van toepassing. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 geldt het nieuwe Strafwetboek. Gewelddaden zonder integriteitsaantasting of met een integriteitsaantasting van de eerste graad vallen dan onder art. 194 Sw. (niveau 1); gewelddaden met een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk van maximum vier maanden (integriteitsaantasting van de tweede graad) onder art. 195 Sw. (niveau 2). Diefstal met geweld of bedreiging staat in art. 467 Sw. (niveau 3); gepleegd bij nacht of door twee of meer personen valt hij onder de verzwaarde diefstal met geweld van art. 469, § 1 Sw. (niveau 4). Ook de regels rond samenloop (voorheen art. 65 oud Sw., nu art. 61-62 Sw.) en uitstel (nu art. 65 Sw.) zijn grondig gewijzigd.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 65

    Strafwetboek van 8 juni 1867 (oud Sw.)

    Eenheid van misdadig opzet: slechts één straf, de zwaarste — Deze uitspraak betreft feiten van vóór 1 september 2026 en past dus het Strafwetboek van 1867 toe. Sinds 1 september 2026: art. 61-62 Sw.

    Art. 398

    Strafwetboek van 8 juni 1867 (oud Sw.)

    Opzettelijke slagen en verwondingen — Deze uitspraak betreft feiten van vóór 1 september 2026 en past dus het Strafwetboek van 1867 toe. Sinds 1 september 2026 is dit misdrijf anders geregeld (art. 194 Sw.).

    Art. 399

    Strafwetboek van 8 juni 1867 (oud Sw.)

    Opzettelijke slagen met ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg — Deze uitspraak betreft feiten van vóór 1 september 2026 en past dus het Strafwetboek van 1867 toe. Sinds 1 september 2026 is dit misdrijf anders geregeld (art. 195 Sw.).

    Art. 468

    Strafwetboek van 8 juni 1867 (oud Sw.)

    Diefstal met geweld of bedreiging — Deze uitspraak betreft feiten van vóór 1 september 2026 en past dus het Strafwetboek van 1867 toe. Sinds 1 september 2026: art. 467 Sw.

    Art. 471

    Strafwetboek van 8 juni 1867 (oud Sw.)

    Verzwarende omstandigheden bij diefstal (nacht, meerdere daders) — Deze uitspraak betreft feiten van vóór 1 september 2026 en past dus het Strafwetboek van 1867 toe. Sinds 1 september 2026: art. 469, § 1 Sw.

    Art. 472

    Strafwetboek van 8 juni 1867 (oud Sw.)

    Diefstal met geweld gepleegd onder twee van de omstandigheden van art. 471 — Deze uitspraak betreft feiten van vóór 1 september 2026 en past dus het Strafwetboek van 1867 toe.

    Art. 1, 8, 9 en 14

    Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie

    Uitstel en probatie

    Art. 1022

    Gerechtelijk Wetboek

    Rechtsplegingsvergoeding

    Meer over Strafrecht

    Ontdek al onze diensten, juridische tools en artikelen over strafrecht.

    Bekijk expertisepagina Strafrecht

    Veelgestelde vragen over deze zaak

    Meer over Strafrecht

    Vergelijkbare situatie? Spreek een advocaat

    Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).

    Liever eerst bellen? 050 67 32 06

    Kantoor € 75Video € 50

    Prijzen excl. btw

    Meer info: cookie beleid · privacy