Terug naar Rechtspraak
    Familierecht
    Vordering afgewezen

    Hof van Beroep: Onderhoudsplicht voor kind primeert op collectieve schuldenregeling

    Mr. testHof van Beroep Antwerpen9 oktober 2024501 weergaven
    Delen:
    onderhoudsgeldfamilierechtcollectieve schuldenregelingdraagkrachtgroeipakkethoger beroepall-in bijdrageleefloon

    Samenvatting van de Zaak

    Situatie

    Dit arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen behandelt een geschil over de hoogte van de onderhoudsbijdrage voor een minderjarige zoon. De moeder tekende hoger beroep aan tegen een vonnis van de familie- en jeugdrechtbank, dat de door de vader te betalen onderhoudsbijdrage had verlaagd van 500 euro (vastgesteld bij een verstekvonnis in 2017) naar 200 euro per maand. De vader, die lange tijd in het buitenland verbleef en in een collectieve schuldenregeling zit, had met succes een herziening gevraagd op basis van zijn gewijzigde financiële situatie.

    Geschil

    De moeder (appellante) vorderde in beroep een all-in onderhoudsbijdrage van 500 euro per maand. Zij is invalide en heeft een netto-inkomen van circa 1.980 euro, aangevuld met een sociale toeslag uit het Groeipakket. De vader (geïntimeerde) ontvangt een leefloon van 1.298 euro per maand en woont in een voorziening voor beschut wonen. Hij heeft al meer dan tien jaar geen contact meer met zijn zoon.

    Beslissing

    Het hof oordeelde dat het hoger beroep van de moeder ongegrond was. De kern van de beslissing ligt in de berekening van de draagkracht van beide ouders. Het hof stelde expliciet dat de collectieve schuldenregeling van de vader niet in rekening wordt gebracht bij het bepalen van zijn draagkracht voor kinderalimentatie, omdat de onderhoudsplicht ten aanzien van kinderen primeert op andere schulden. Na een gedetailleerde berekening, waarbij rekening werd gehouden met de respectievelijke inkomens, de kosten van het kind (geschat op 576 euro/maand) en het Groeipakket, kwam het hof tot de conclusie dat de theoretische bijdrage van de vader 176 euro per maand zou moeten bedragen (inclusief een aandeel in de buitengewone kosten). Aangezien dit bedrag lager is dan de 200 euro die in eerste aanleg werd toegekend en de vader geen incidenteel beroep had ingesteld om dit bedrag verder te verlagen, werd het vonnis van de eerste rechter bevestigd. De moeder werd in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

    Uitkomst:
    Vordering afgewezen

    Kernpunten

    • 1Een collectieve schuldenregeling vermindert de draagkracht voor het betalen van onderhoudsgeld niet; de onderhoudsplicht voor kinderen primeert op andere schulden.
    • 2Bij de berekening van de draagkracht kan de sociale toeslag van het Groeipakket worden meegerekend als inkomen van de ontvangende ouder.
    • 3Het niet instellen van een incidenteel beroep kan verhinderen dat een in eerste aanleg vastgesteld bedrag wordt verlaagd, zelfs als het hof een lagere bijdrage berekent.
    • 4In conflictueuze situaties kan een 'all-in' onderhoudsbijdrage een pragmatische oplossing zijn om discussies over buitengewone kosten te vermijden.

    Juridische Analyse

    Inleiding: Onderhoudsgeld bij precaire financiële omstandigheden

    Dit arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen biedt een verhelderende kijk op de vaststelling van onderhoudsgeld wanneer een van de ouders zich in een precaire financiële situatie bevindt, met name bij het ontvangen van een leefloon en het doorlopen van een collectieve schuldenregeling. De zaak draait om de vraag hoe de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder correct moet worden ingeschat en welke impact dit heeft op de te betalen bijdrage voor een minderjarig kind.

    Analyse van de draagkracht en de kosten van het kind

    Toepasselijke rechtsprincipes: Artikel 203 Burgerlijk Wetboek

    De juridische grondslag voor de beslissing van het hof is artikel 203 van het (oud) Burgerlijk Wetboek. Dit artikel legt aan beide ouders de plicht op om, naar evenredigheid van hun middelen, te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Het hof herhaalt het principe dat met 'middelen' alle beroeps-, roerende en onroerende inkomsten worden bedoeld, alsook alle andere voordelen die de levensstandaard van de kinderen waarborgen. Het uitgangspunt is dat kinderen recht hebben op een levensstandaard die vergelijkbaar is met die welke zij zouden hebben gehad indien hun ouders niet gescheiden waren.

    Vaststelling van de middelen en de draagkrachtverdeling

    De kern van de rechterlijke beoordeling is de concrete vaststelling van de draagkracht van elke ouder. Het hof gaat hierbij methodisch te werk:

    • Inkomen moeder: Haar invaliditeitsuitkering (€1.980) wordt verhoogd met de sociale toeslag uit het Groeipakket (€124,18). Het hof beschouwt deze toeslag, die bedoeld is voor gezinnen met een lager inkomen, als een deel van haar middelen. Dit leidt tot een berekend inkomen van €2.104,18.
    • Inkomen vader: Zijn inkomen wordt vastgesteld op zijn leefloon van €1.298 per maand. Het hof oordeelt dat er geen bewijs is van een hoger verdienvermogen.

    Een cruciaal element in de redenering van het hof is de omgang met de collectieve schuldenregeling van de vader. Het hof stelt ondubbelzinnig:

    Voor de berekening van de bijdragen voor zijn kinderen houdt het hof geen rekening met het feit dat vader in collectieve schuldenregeling zit, aangezien voor de berekening van de verhouding tussen de ouders in de bijdragen in de kinderen, de kinderen prevaleren op de aflossing van de andere schulden.

    Dit bevestigt de vaste rechtspraak dat onderhoudsschulden ten aanzien van kinderen een bevoorrecht karakter hebben. Ze zijn van openbare orde en primeren op de rechten van andere, chirografaire schuldeisers. De collectieve schuldenregeling is bedoeld om de schuldenaar een menswaardig bestaan te garanderen, maar ontslaat hem niet van zijn fundamentele onderhoudsplicht. Zijn draagkracht wordt dus berekend op basis van zijn volledige leefloon, zonder aftrek van aflossingen aan andere schuldeisers.

    Vervolgens bepaalt het hof de verhouding in draagkracht op 68% voor de moeder en 32% voor de vader, na aftrek van een forfaitair bedrag voor eigen levensonderhoud voor elke ouder.

    Berekening van de kindkosten en de all-in bijdrage

    Het hof raamt de maandelijkse kosten voor de 16-jarige zoon op €576. Dit bedrag wordt onderbouwd als 16,22% van het totale gezinsinkomen (inkomsten ouders + Groeipakket). Vervolgens past het hof een formule toe om de bijdrage van de vader te berekenen, rekening houdend met het deel van het Groeipakket dat als rechtstreekse bijdrage in de kosten wordt beschouwd (€149,56). Dit leidt tot een theoretische basisbijdrage van €136 per maand.

    Gezien de totale afwezigheid van communicatie tussen de ouders en de non-betrokkenheid van de vader, opteert het hof voor een all-in onderhoudsbijdrage. Dit is een pragmatische oplossing om toekomstige discussies over buitengewone kosten te vermijden. Het hof raamt de buitengewone kosten voor de zoon, die een ernstige vorm van autisme heeft, op €125 per maand. Het aandeel van de vader hierin (32%) bedraagt €40. De totale theoretische bijdrage van de vader wordt zo vastgesteld op €136 + €40 = €176 per maand. Deze all-in bijdrage dekt alles, met uitzondering van buitengewone (para-)medische kosten, wat een gangbare uitsluiting is.

    Procedurele aspecten en praktische implicaties

    Het belang van het incidenteel beroep

    Een belangrijke procedurele les uit dit arrest is het gevolg van het niet instellen van een incidenteel beroep. Het hof berekent een theoretische bijdrage van €176. De eerste rechter had echter €200 toegekend. Omdat de vader geen beroep aantekende tegen dit bedrag (een zogenaamd 'incidenteel beroep' als reactie op het beroep van de moeder), kon het hof het bedrag niet verlagen. Het is gebonden door het 'verbod op reformatio in peius': de rechtspositie van de geïntimeerde die zelf geen beroep instelt, mag door het hoger beroep van de tegenpartij niet verslechteren. De vordering van de moeder wordt dus afgewezen, en het vonnis van €200 blijft overeind.

    Tips en aandachtspunten

    Deze uitspraak levert enkele concrete aandachtspunten op voor ouders en advocaten in vergelijkbare situaties:

    • Onderhoudsplicht is prioritair: Een collectieve schuldenregeling of het ontvangen van een leefloon is geen vrijgeleide om geen onderhoudsgeld te betalen. De rechter zal de draagkracht berekenen op basis van het volledige inkomen, aangezien de noden van het kind voorrang hebben.
    • Realistische vorderingen: Het is essentieel om een vordering te baseren op een realistische inschatting van de draagkracht van de tegenpartij. De vordering van de moeder van €500 was, gezien het leefloon van de vader, van meet af aan kansloos.
    • Documentatie is cruciaal: De rechter baseert zich op de voorgelegde stukken. Zowel inkomsten (loonfiches, aanslagbiljetten, attesten van uitkeringen) als de specifieke kosten van het kind moeten gedetailleerd worden aangetoond.
    • Overweeg een all-in bijdrage: In conflictueuze relaties waar communicatie over buitengewone kosten onmogelijk is, kan een all-in bijdrage een efficiënte en duurzame oplossing zijn die toekomstige procedures vermijdt.
    • Denk aan het incidenteel beroep: Een partij die in eerste aanleg deels in het ongelijk werd gesteld, moet overwegen om zelf (incidenteel) beroep aan te tekenen als de tegenpartij in beroep gaat. Anders loopt men het risico dat een voor hen ongunstig, maar niet aangevochten deel van het vonnis, definitief wordt.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 203

    Oud Burgerlijk Wetboek

    Onderhoudsplicht van ouders jegens hun kinderen

    Art. 1022

    Gerechtelijk Wetboek

    Rechtsplegingsvergoeding

    Art. 561

    Gerechtelijk Wetboek

    Waardebepaling van de vordering voor de rechtsplegingsvergoeding

    Vergelijkbare situatie?

    Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten.