Terug naar Rechtspraak
    Verbintenissenrecht
    Gedeeltelijk toegewezen

    Geldlening niet betaald? Geen ontbinding en onmiddellijke opeisbaarheid zonder expliciet beding

    Mr. Chanel Ribas ColomarRechtbank van Eerste Aanleg Limburg - Afdeling Hasselt30 september 2025499 weergaven
    Delen:
    geldleningeenzijdige overeenkomstontbindingopeisbaarheiduitdrukkelijk ontbindend bedingverbintenissenrechtrespijttermijn

    Samenvatting van de Zaak

    Situatie

    Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg, afdeling Hasselt, behandelt een geschil over de terugbetaling van twee particuliere geldleningen. De eiser had aan de verweerder twee leningen verstrekt voor een totaalbedrag van €18.500, bedoeld voor de aankoop van een bestelwagen en de oprichting van een zaak. De terugbetaling was gespreid over maandelijkse termijnen.

    Geschil

    Nadat de verweerder in gebreke bleef met de betalingen, stapte de eiser naar de rechtbank. In hoofdorde vorderde hij de onmiddellijke ontbinding van de leningsovereenkomsten en de veroordeling van de verweerder tot betaling van het volledige openstaande saldo van €12.200. In ondergeschikte orde vorderde hij de betaling van de reeds vervallen en onbetaalde termijnen, ten bedrage van €6.800, met behoud van de oorspronkelijke afbetalingsplannen voor de toekomst. De verweerder betwistte de leningen en zijn terugbetalingsplicht niet. Hij erkende de ondergeschikte vordering (de achterstallige termijnen) maar vroeg de rechtbank om betalingsfaciliteiten toe te kennen in de vorm van maandelijkse afbetalingen van slechts €50. De eiser verzette zich hiertegen. De rechtbank wijst de hoofdvordering van de eiser af. De rechter oordeelt dat een geldlening een eenzijdige overeenkomst is. Het stilzwijgend ontbindend beding, dat de ontbinding van een contract mogelijk maakt bij wanprestatie (art. 1184 oud BW, nu art. 5.90 BW), is enkel van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Bijgevolg kan de eiser niet de ontbinding van de leningen en de onmiddellijke opeisbaarheid van het volledige kapitaal vorderen. De oorspronkelijke looptijden van de leningen blijven gerespecteerd.

    Beslissing

    De rechtbank verklaart de ondergeschikte vordering wel gegrond. De verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de vervallen termijnen op het moment van de dagvaarding, vermeerderd met de termijnen die tijdens de procedure zijn vervallen, voor een totaal van €8.000. Het verzoek van de verweerder om betalingsfaciliteiten wordt afgewezen omdat het voorgestelde bedrag van €50 per maand als onredelijk wordt beschouwd, gezien de omvang van de schuld. De rechtbank oordeelt dat de eiser recht heeft op betaling binnen een redelijke termijn.

    Uitkomst:
    Gedeeltelijk toegewezen

    Kernpunten

    • 1Een geldlening is een eenzijdige overeenkomst waarbij de gerechtelijke ontbinding wegens wanprestatie (art. 1184 oud BW) niet van toepassing is.
    • 2Zonder een uitdrukkelijk ontbindend beding in de overeenkomst kan een uitlener bij wanbetaling enkel de vervallen termijnen opeisen, niet het volledige openstaande kapitaal.
    • 3Schuldeisers moeten een uitdrukkelijk ontbindend beding opnemen in leningsovereenkomsten om bij wanbetaling het volledige saldo te kunnen vorderen.
    • 4Een verzoek tot het bekomen van respijttermijnen (afbetalingsplan) kan door de rechter worden afgewezen als het voorstel onredelijk is en het recht van de schuldeiser op betaling binnen een redelijke termijn schendt.

    Juridische Analyse

    Analyse van de zaak: Geldlening en de grenzen van ontbinding

    Dit vonnis illustreert een fundamenteel principe van het Belgische verbintenissenrecht met betrekking tot de sanctionering van wanprestatie bij eenzijdige overeenkomsten, specifiek de geldlening. De rechtbank maakt een duidelijk onderscheid tussen de remedies die beschikbaar zijn voor wederkerige en eenzijdige contracten, wat aanzienlijke praktische gevolgen heeft voor schuldeisers.

    De kern van het geschil: Eenzijdige versus wederkerige overeenkomsten

    De hoofdvordering van de eiser was gebaseerd op de wens om de leningsovereenkomsten te ontbinden en het volledige resterende kapitaal onmiddellijk op te eisen. Deze vordering steunt impliciet op het mechanisme van de gerechtelijke ontbinding wegens wanprestatie, zoals voorzien in artikel 1184 van het oud Burgerlijk Wetboek (nu hernomen in artikel 5.90 van het Burgerlijk Wetboek).

    Het stilzwijgend ontbindend beding (art. 1184 BW oud, art. 5.90 B.W.), waarbij de ontbinding als sanctie kan worden toegepast in het kader van de toerekenbare niet-nakoming van zijn verbintenissen door een partij, vindt op eenzijdige overeenkomsten geen toepassing.

    De rechtbank wijst deze vordering terecht af door te benadrukken dat een geldlening (bruiklening van geld) een zakelijke en eenzijdige overeenkomst is. Hoewel de totstandkoming consensus vereist, ontstaan er na de overhandiging van het geld enkel nog verbintenissen voor één partij: de ontlener. De ontlener is verplicht het geleende bedrag terug te betalen. De uitlener heeft zijn hoofdverplichting (het ter beschikking stellen van het geld) reeds volbracht. Het stilzwijgend ontbindend beding is echter een sanctie die inherent verbonden is aan de wederkerigheid van verbintenissen: de ene partij kan van haar verplichtingen worden bevrijd (en/of het contract beëindigen) omdat de andere partij haar corresponderende verplichtingen niet nakomt. Bij een eenzijdige overeenkomst is er geen sprake van dergelijke wederzijdse, afhankelijke verbintenissen. De sanctie van de ontbinding is hier dus niet van toepassing, tenzij dit expliciet anders is overeengekomen.

    De correcte juridische weg: Vordering van vervallen termijnen

    De rechtbank volgt wel de ondergeschikte vordering van de eiser. Bij een lening op afbetaling wordt de schuld opgesplitst in periodieke termijnen. Elke termijn wordt pas opeisbaar op zijn respectievelijke vervaldag. Wanneer de ontlener nalaat een termijn te betalen, kan de uitlener enkel de betaling vorderen van de reeds vervallen en onbetaalde termijnen. De toekomstige termijnen zijn nog niet opeisbaar.

    Dit is precies wat de rechtbank toekent: de som van de achterstallige termijnen op het moment van de dagvaarding (€6.800), vermeerderd met de termijnen die tijdens de duur van de procedure zijn vervallen (€1.200). De vordering voor toekomstige termijnen wordt "hic et nunc" (hier en nu) afgewezen, omdat de juridische grondslag daarvoor op het moment van het vonnis ontbreekt.

    Praktische implicaties en aanbevelingen

    Tip voor schuldeisers (uitleners)

    De belangrijkste les uit dit vonnis voor iedereen die geld uitleent, is het belang van een goed opgestelde overeenkomst. Om de valkuil te vermijden waarin de eiser in deze zaak is getrapt, moet een leningsovereenkomst een uitdrukkelijk ontbindend beding bevatten. Een dergelijk beding stipuleert expliciet dat bij niet-betaling van één of meerdere termijnen op hun vervaldag, de overeenkomst van rechtswege en zonder voorafgaande ingebrekestelling ontbonden is, en het volledige openstaande saldo (kapitaal en intresten) onmiddellijk opeisbaar wordt.

    • Formulering: Een clausule kan luiden als: "Bij gebreke aan tijdige betaling van één enkele maandelijkse termijn, wordt het volledig resterende saldo van de lening, vermeerderd met de conventionele intresten en een schadebeding van X%, van rechtswege en zonder voorafgaande ingebrekestelling onmiddellijk opeisbaar."
    • Voordeel: Een dergelijk beding maakt de overeenkomst de facto wederkerig wat de sancties betreft en geeft de schuldeiser een krachtig instrument om bij wanbetaling snel het volledige bedrag te kunnen invorderen, zonder de volledige looptijd van de lening te moeten afwachten.
    • Toetsing door de rechter: Hoewel een uitdrukkelijk ontbindend beding in principe geldig is, kan een rechter de toepassing ervan nog steeds marginaal toetsen, bijvoorbeeld of de toepassing ervan niet kennelijk onredelijk is of strijdig met de goede trouw.

    Positie van de schuldenaar (ontlener)

    Voor de schuldenaar bevestigt dit vonnis dat, bij afwezigheid van een uitdrukkelijk ontbindend beding, een wanbetaling niet automatisch leidt tot de opeisbaarheid van de volledige schuld. Dit biedt een zekere bescherming tegen al te agressieve invorderingspraktijken. Echter, het vonnis toont ook de grenzen van de bescherming die een schuldenaar kan inroepen.

    De rechtbank wees het verzoek om afbetalingstermijnen van €50 per maand af. Hoewel artikel 1244, tweede lid van het oud Burgerlijk Wetboek (nu hernomen in art. 5.161 BW) de rechter toelaat om "respijttermijnen" toe te kennen, is dit een gunst en geen recht. De rechter maakt een belangenafweging. In casu werd geoordeeld dat een afbetaling van €50 per maand op een schuld van €8.000 de terugbetalingstermijn onredelijk lang zou maken (meer dan 13 jaar), wat het recht van de schuldeiser op betaling binnen een redelijke termijn zou schenden. Schuldenaren die om faciliteiten verzoeken, moeten dus een realistisch en redelijk voorstel doen dat rekening houdt met de belangen van de schuldeiser.

    De beslissing over de gerechtskosten

    De rechtbank veroordeelt de verweerder in de kosten, maar beperkt de rechtsplegingsvergoeding (RPV) tot het minimumbedrag. Dit is een toepassing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De redenering is tweeledig: de eiser werd in het ongelijk gesteld wat zijn hoofdvordering betreft, en de verweerder had de ondergeschikte vordering grotendeels niet betwist. Dit toont aan dat de uitkomst van de zaak en de houding van de partijen een directe invloed hebben op de toewijzing van de kosten. Het instellen van een juridisch ongegronde hoofdvordering kan dus financiële gevolgen hebben voor de eiser, zelfs als hij gedeeltelijk gelijk krijgt.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 1184

    oud Burgerlijk Wetboek

    Stilzwijgend ontbindend beding in wederkerige contracten.

    Art. 5.90

    Burgerlijk Wetboek

    Gerechtelijke ontbinding (vervangt art. 1184 oud BW).

    Art. 1874-1904

    oud Burgerlijk Wetboek

    Regeling betreffende de overeenkomst van lening (bruiklening).

    Art. 1022

    Gerechtelijk Wetboek

    Rechtsplegingsvergoeding.

    Art. 568, lid 1

    Gerechtelijk Wetboek

    Materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg.

    Art. 624, 1°

    Gerechtelijk Wetboek

    Territoriale bevoegdheid (woonplaats verweerder).

    Vergelijkbare situatie?

    Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten.