Terug naar Rechtspraak
    Verbintenissenrecht
    Gedeeltelijk toegewezen

    Geldlening niet terugbetaald? Geen onmiddellijke opeisbaarheid zonder contractuele clausule

    Mr. Chanel Ribas ColomarRechtbank van Eerste Aanleg Limburg - Afdeling Hasselt30 september 2025518 weergaven
    Delen:
    geldleningverbintenissenrechteenzijdige overeenkomstontbindingwanprestatieuitdrukkelijk ontbindend bedingrespijttermijn

    Samenvatting van de Zaak

    Situatie

    Deze zaak betreft een vordering tot terugbetaling van twee persoonlijke geldleningen, verstrekt door eiser aan verweerder voor een totaalbedrag van €18.500. De leningen waren bedoeld voor de aankoop van een bestelwagen en de oprichting van een zaak, met overeengekomen maandelijkse aflossingen. Nadat verweerder in gebreke bleef met de betalingen, stapte de eiser naar de rechtbank.

    Geschil

    De eiser vorderde in hoofdorde de onmiddellijke ontbinding van de leningsovereenkomsten en de veroordeling van verweerder tot betaling van het volledige openstaande saldo van €12.200. In ondergeschikte orde vorderde hij enkel de betaling van de reeds vervallen en onbetaalde termijnen, met behoud van de oorspronkelijke aflossingsschema's voor de toekomst. Verweerder betwistte de schuld op zich niet, althans niet de vordering in ondergeschikte orde. Hij erkende de achterstallige betalingen maar vroeg de rechtbank om betalingsfaciliteiten toe te kennen in de vorm van een afbetalingsplan van €50 per maand. De eiser verzette zich hier formeel tegen. De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, wees de hoofdvordering van de eiser af. De rechter oordeelde dat een geldlening een eenzijdige overeenkomst is. De sanctie van de gerechtelijke ontbinding wegens wanprestatie, zoals voorzien in artikel 1184 van het oud Burgerlijk Wetboek (nu artikel 5.90 BW), is enkel van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Omdat de uitlener zijn hoofdverbintenis (het ter beschikking stellen van het geld) al heeft volbracht, kan hij de overeenkomst niet laten ontbinden om de onmiddellijke terugbetaling van het volledige kapitaal te eisen. De oorspronkelijke looptijd van de leningen blijft dus gerespecteerd.

    Beslissing

    De rechtbank wees de ondergeschikte vordering wel toe. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van alle op het moment van het vonnis vervallen termijnen, wat neerkwam op een bedrag van €8.000, vermeerderd met de verschuldigde intresten. Het verzoek van verweerder om een afbetalingsplan van €50 per maand werd afgewezen, omdat dit gezien de omvang van de schuld niet als een betaling binnen een redelijke termijn werd beschouwd.

    Uitkomst:
    Gedeeltelijk toegewezen

    Kernpunten

    • 1De gerechtelijke ontbinding wegens wanprestatie is in principe niet van toepassing op eenzijdige overeenkomsten zoals een eenvoudige geldlening.
    • 2Zonder een uitdrukkelijk beding in de leningsovereenkomst kan een uitlener bij wanbetaling enkel de vervallen termijnen opeisen, niet het volledige openstaande kapitaal.
    • 3Het is voor uitleners cruciaal om een 'uitdrukkelijk ontbindend beding' of een 'beding van verval van de termijnbepaling' op te nemen in de overeenkomst.
    • 4Een rechtbank zal een verzoek tot afbetalingsfaciliteiten (respijttermijn) afwijzen als het voorgestelde plan onredelijk lang is in verhouding tot de omvang van de schuld.

    Juridische Analyse

    Inleiding: De Sanctionering van Wanprestatie bij Eenzijdige Overeenkomsten

    Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt illustreert een fundamenteel, doch vaak miskend, principe van het Belgische verbintenissenrecht: de beperkte toepassing van de gerechtelijke ontbinding als sanctie bij eenzijdige overeenkomsten. De casus, die draait om de niet-terugbetaling van een persoonlijke geldlening, dwingt tot een analyse van de aard van de leningsovereenkomst en de remedies die een schuldeiser ter beschikking staan bij wanprestatie van de schuldenaar.

    Analyse van de Hoofdvordering: Ontbinding van een Geldleningsovereenkomst

    De Kwalificatie van de Geldlening als Eenzijdige Overeenkomst

    De rechtbank begint haar analyse met de correcte juridische kwalificatie van de overeenkomst. Een geldlening (of bruiklening) wordt naar klassiek Belgisch recht beschouwd als een zakelijke en eenzijdige overeenkomst. De artikelen 1874-1904 van het oud Burgerlijk Wetboek (thans hernomen in Boek 7 BW) vormen hiervoor de basis.

    • Zakelijk karakter: De overeenkomst komt pas tot stand op het moment dat het geld daadwerkelijk aan de ontlener wordt overhandigd. Voorafgaand aan de overhandiging is er hoogstens een leningbelofte, maar geen voltooide leningsovereenkomst.
    • Eenzijdig karakter: Zodra de uitlener het geld heeft overhandigd, heeft hij zijn voornaamste verbintenis voldaan. Vanaf dat moment rusten er in principe enkel nog verbintenissen op de ontlener, met name de verbintenis tot terugbetaling van het kapitaal (en eventuele intresten) volgens de afgesproken modaliteiten.

    Deze eenzijdige aard is de sleutel tot het begrijpen van de beslissing van de rechtbank.

    Het Stilzwijgend Ontbindend Beding: Enkel voor Wederkerige Contracten

    De eiser baseerde zijn hoofdvordering op de wens om de overeenkomst te ontbinden en zo de onmiddellijke terugbetaling van het volledige saldo te bekomen. Dit is een beroep op het zogenaamde stilzwijgend ontbindend beding, dat vervat lag in artikel 1184 van het oud Burgerlijk Wetboek en nu is gemoderniseerd in artikel 5.90 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel stelt dat in wederkerige contracten de partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, de keuze heeft om ofwel de uitvoering van de verbintenis te vorderen, ofwel de ontbinding van de overeenkomst met schadevergoeding.

    De rechtbank stelt echter terecht dat dit mechanisme niet van toepassing is op eenzijdige overeenkomsten. De ratio legis van de ontbinding is het herstellen van het evenwicht in een contractuele relatie waarbij beide partijen prestaties uitwisselen. De ontbinding bevrijdt beide partijen van hun verbintenissen. Bij een eenzijdige overeenkomst zoals een geldlening is er geen sprake meer van een dergelijk evenwicht om te herstellen; de uitlener heeft zijn prestatie al geleverd. Zijn enige recht is de uitvoering van de tegenprestatie afdwingen.

    De rechtbank verwoordt dit kernachtig: "Het stilzwijgend ontbindend beding (art. 1184 BW oud, art. 5.90 B.W.), waarbij de ontbinding als sanctie kan worden toegepast in het kader van de toerekenbare niet-nakoming van zijn verbintenissen door een partij, vindt op eenzijdige overeenkomsten geen toepassing."

    De afwijzing van de hoofdvordering is dus juridisch perfect onderbouwd. Zonder een specifieke contractuele clausule leidt de wanbetaling van enkele termijnen niet tot de onmiddellijke opeisbaarheid van het volledige resterende kapitaal.

    Praktische Implicaties en Aandachtspunten

    Tip voor Schuldeisers: Het Uitdrukkelijk Ontbindend Beding

    Dit vonnis onderstreept het cruciale belang voor schuldeisers (uitleners) om hun contracten zorgvuldig op te stellen. Om de situatie te vermijden waarin de eiser zich bevond, had hij een uitdrukkelijk ontbindend beding in de leningsovereenkomst moeten opnemen. Een dergelijke clausule kan contractueel bepalen dat bij wanbetaling van een of meerdere termijnen:

    1. de overeenkomst van rechtswege en zonder voorafgaande ingebrekestelling ontbonden wordt, en/of
    2. het volledige nog openstaande saldo (kapitaal en intresten) onmiddellijk en integraal opeisbaar wordt (ook wel een 'beding van verval van de termijnbepaling' genoemd).

    Dergelijke bedingen zijn standaardpraktijk in leningen verstrekt door financiële instellingen, maar worden vaak vergeten bij onderhandse leningen tussen particulieren. Zonder een dergelijk beding is de schuldeiser, zoals in casu, genoodzaakt om de vervaltermijnen van de lening af te wachten en potentieel meermaals een procedure te moeten opstarten voor elke nieuwe reeks vervallen termijnen.

    De Beoordeling van Respijttermijnen

    Een tweede interessant aspect is de afwijzing van het verzoek van de verweerder om betalingsfaciliteiten. Hoewel niet expliciet vermeld, baseert de rechter zijn bevoegdheid om uitstel van betaling te verlenen op de principes van het voormalige artikel 1244, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. Dit gaf de rechter de mogelijkheid om, rekening houdend met de positie van de partijen, met grote omzichtigheid en gematigdheid uitstel te verlenen voor de betaling.

    De rechtbank voert hier een belangenafweging uit. Enerzijds is er de moeilijke financiële situatie van de schuldenaar, anderzijds het legitieme recht van de schuldeiser op betaling binnen een redelijke termijn. Een voorgestelde afbetaling van €50 per maand op een schuld van €8.000 (die nog verder zal oplopen) zou betekenen dat de terugbetaling meer dan 13 jaar zou duren, enkel voor het reeds vervallen gedeelte. De rechter oordeelde terecht dat dit onredelijk is ten aanzien van de eiser.

    De rechtbank stelt: "Gezien de omvang van de schuld laten de door verweerder voorgestelde afbetalingstermijnen zulks niet toe."

    Dit bevestigt dat hoewel rechters een zekere appreciatiebevoegdheid hebben om schuldenaren te helpen, dit niet ten koste mag gaan van het fundamentele recht van de schuldeiser op een effectieve en tijdige uitvoering van het vonnis.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 1184

    Burgerlijk Wetboek (oud)

    Stilzwijgend ontbindend beding in wederkerige contracten.

    Art. 5.90

    Burgerlijk Wetboek

    Gerechtelijke ontbinding wegens niet-nakoming van een contractuele verbintenis.

    Art. 1874-1904

    Burgerlijk Wetboek (oud)

    Regels betreffende bruiklening en verbruiklening (waaronder geldlening).

    Art. 1022

    Gerechtelijk Wetboek

    Regeling van de rechtsplegingsvergoeding.

    Art. 568, lid 1

    Gerechtelijk Wetboek

    Algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg.

    Art. 624, 1°

    Gerechtelijk Wetboek

    Territoriale bevoegdheid op basis van de woonplaats van de verweerder.

    Vergelijkbare situatie?

    Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten.