Aankoop wagen met btw-nummer: Ondernemingsrechtbank bevoegd, ook voor natuurlijke persoon
Samenvatting van de Zaak
Situatie
Deze zaak betreft een geschil over de levering van een voertuig dat niet conform de bestelling zou zijn. De eiseres, een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, kocht een BMW X1 van de verwerende autodealer. Bij levering stelde ze vast dat verschillende bestelde opties, zoals specifieke velgen, een verwarmd stuurwiel en verwarmde zetels, ontbraken. Ze vorderde bij de Rechtbank van Eerste Aanleg primair de levering van een nieuw, conform voertuig, subsidiair de installatie van de ontbrekende opties, en uiterst subsidiair een schadevergoeding voor de minderwaarde en het gederfde genot.
Geschil
De verweerster wierp echter onmiddellijk en voorafgaand aan elke discussie over de grond van de zaak, een exceptie van materiële onbevoegdheid op. Volgens de verweerster was niet de Rechtbank van Eerste Aanleg, maar wel de Ondernemingsrechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen. De redenering hierachter was dat de eiseres, hoewel een natuurlijke persoon, handelde in haar hoedanigheid van 'onderneming' in de zin van het Wetboek van Economisch Recht (WER). De rechtbank volgde de argumentatie van de verweerster. De rechter stelde vast dat de eiseres een ondernemingsnummer heeft, dat haar btw-nummer vermeld stond op de koopovereenkomst, en dat een specifieke clausule in de algemene voorwaarden een vermoeden van beroepsmatig gebruik creëerde. Deze clausule stelde dat indien de rubriek over het gebruik van het voertuig (privé of beroepsmatig) niet was ingevuld, het voertuig geacht werd voor beroepsdoeleinden te zijn gekocht als de koper over een btw-nummer beschikte. Aangezien de eiseres de rubriek niet had ingevuld en haar btw-nummer had opgegeven, was dit vermoeden van toepassing.
Beslissing
Op basis van deze feitelijke elementen oordeelde de rechtbank dat de aankoop niet 'kennelijk vreemd' was aan de onderneming van de eiseres. Bijgevolg werd het geschil gekwalificeerd als een geschil tussen twee ondernemingen. Krachtens artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek valt een dergelijk geschil onder de exclusieve bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank. De Rechtbank van Eerste Aanleg verklaarde zich daarom materieel onbevoegd en verwees de zaak door naar de Ondernemingsrechtbank van Antwerpen, afdeling Hasselt, voor verdere behandeling, zonder zich uit te spreken over de grond van de vordering (de niet-conforme levering).
Kernpunten
- 1Een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer wordt snel als 'onderneming' gekwalificeerd als een aankoop niet 'kennelijk vreemd' is aan de beroepsactiviteit.
- 2Het gebruik van een btw-nummer op een koopovereenkomst creëert een sterk vermoeden van beroepsmatig gebruik.
- 3Contractuele clausules die een vermoeden van beroepsgebruik instellen (bv. als een vakje 'privégebruik' niet is aangekruist) zijn rechtsgeldig en kunnen de bevoegde rechtbank bepalen.
- 4Geschillen tussen ondernemingen vallen onder de exclusieve materiële bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank.
- 5De rechtbank beslist over haar bevoegdheid op basis van de elementen in de dagvaarding en de contracten, zonder de zaak ten gronde te beoordelen.
Juridische Analyse
Inleiding: Een Procedurele Strijd om de Bevoegde Rechter
Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt is een illustratie van een vaak voorkomende procedurele kwestie: de bepaling van de materieel bevoegde rechtbank. De zaak gaat in de kern over een niet-conforme levering bij een koop-verkoop, maar de rechtbank spreekt zich hierover niet uit. De volledige analyse van de rechter is gewijd aan de vraag of de zaak thuishoort bij de burgerlijke rechtbank dan wel bij de ondernemingsrechtbank. De uitkomst van deze vraag heeft belangrijke gevolgen voor de procespartijen, met name voor de koper die hierdoor de bescherming van het consumentenrecht dreigt te verliezen.
De Kwalificatie als 'Onderneming': Een Ruim Begrip met Verstrekkende Gevolgen
Het Toepassingsgebied van de Ondernemingsrechtbank
De materiële bevoegdheid van de rechtbanken wordt strikt door de wet geregeld. De Rechtbank van Eerste Aanleg heeft een volheid van bevoegdheid, behalve voor geschillen die exclusief aan een andere rechtbank zijn toegewezen (art. 568, lid 1 Ger.W.). De Ondernemingsrechtbank heeft zo'n exclusieve bevoegdheid voor geschillen tussen 'ondernemingen'. Artikel 573, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) stelt dat de ondernemingsrechtbank kennisneemt van geschillen tussen ondernemingen, zoals gedefinieerd in het Wetboek van Economisch Recht (WER).
De Definitie van 'Onderneming'
De sleutel tot de beslissing van de rechtbank ligt in de definitie van het begrip 'onderneming'. Sinds de wetswijziging van 2018 is dit begrip zeer ruim. Volgens artikel I.1, 1°, (a) WER is een onderneming "iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent". Dit omvat niet alleen klassieke handelaars, maar ook vrije beroepers, bestuurders, consultants en freelancers. Een natuurlijk persoon kan dus tegelijkertijd consument (voor privéhandelingen) en onderneming (voor beroepsmatige handelingen) zijn.
De rechtbank moet in concreto nagaan of de betwiste handeling (in dit geval de aankoop van de wagen) betrekking heeft op de beroepsactiviteit van de natuurlijke persoon. De wet stelt dat de Ondernemingsrechtbank bevoegd is voor handelingen die "niet kennelijk vreemd" zijn aan de onderneming. Dit is een lage drempel: zolang er een link, hoe klein ook, met de beroepsactiviteit kan worden gelegd, is de Ondernemingsrechtbank bevoegd.
Analyse van de Rechterlijke Redenering
De rechter baseert zijn oordeel op een cluster van feitelijke aanwijzingen (faisceau d'indices) om te bepalen of de eiseres als onderneming handelde:
- Formele vermeldingen: Zowel in de dagvaarding als op de koopovereenkomst werd het ondernemingsnummer of btw-nummer van de eiseres vermeld. Hoewel dit op zich niet doorslaggevend is, vormt het een sterke indicatie van een professionele context.
- Contractuele clausule: Het meest doorslaggevende element is de clausule in de algemene voorwaarden. Deze creëerde een contractueel vermoeden van beroepsmatig gebruik. De rechtbank citeert de clausule expliciet:
"Indien deze rubriek niet is ingevuld, wordt het voertuig geacht te zijn gekocht voor beroepsdoeleinden voor zover de koper een rechtspersoon is of over een BTW-identificatienummer beschikt."
Doordat de eiseres deze rubriek niet invulde en haar btw-nummer op de overeenkomst stond, trad dit vermoeden in werking. De bewijslast werd hierdoor omgekeerd: het was aan de eiseres om aan te tonen dat de aankoop desondanks uitsluitend voor privédoeleinden was, wat zij kennelijk niet of onvoldoende heeft gedaan.
De rechtbank concludeert op basis van deze elementen dat de aankoop niet "kennelijk vreemd" was aan de onderneming van de eiseres. De vordering valt dus binnen de bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank. De verwijzing van de zaak op basis van artikel 639 Ger.W. is dan de correcte procedurele stap.
Praktische Implicaties en Aandachtspunten
Voor Natuurlijke Personen met een Ondernemingsnummer
- Wees uiterst waakzaam bij contracten: Dit vonnis benadrukt het cruciale belang van het zorgvuldig nalezen van contracten en algemene voorwaarden. Als een aankoop puur voor privégebruik is, moet dit expliciet worden aangeduid. Laat relevante vakjes niet open.
- Denk na over het gebruik van uw btw-nummer: Het vermelden van een btw-nummer op een factuur of bestelbon om fiscale redenen (bv. btw-recuperatie) heeft juridische gevolgen. Het creëert een sterk vermoeden van professioneel gebruik, waardoor u uw hoedanigheid als consument en de daaraan gekoppelde bescherming (bv. herroepingsrecht, wettelijke garantie) kunt verliezen.
- Gevolgen van de kwalificatie: Een geschil voor de Ondernemingsrechtbank betekent niet alleen een andere rechter, maar ook andere regels. Het bewijsrecht is er soepeler ('bewijs in handelszaken is vrij'), wat zowel een voor- als nadeel kan zijn. De beschermende regels van het consumentenrecht zijn echter niet van toepassing.
Voor Verkopers
- Formuleer duidelijke clausules: De verkoper had in deze zaak een sterke positie dankzij de goed geformuleerde clausule in de algemene voorwaarden. Het is een best practice om dergelijke clausules op te nemen om discussies over de hoedanigheid van de koper te vermijden.
- Strategische procesvoering: Het opwerpen van de bevoegdheidsexceptie in limine litis (voor elk ander verweer) is een correcte en potentieel strategische zet. Het kan een zaak verplaatsen naar een forum dat meer vertrouwd is met commerciële gebruiken en waar de tegenpartij minder wettelijke bescherming geniet.
Concluderend toont dit vonnis aan dat de grens tussen consument en ondernemer flinterdun kan zijn voor natuurlijke personen met een zelfstandige activiteit. De contractuele bepalingen en de feitelijke omstandigheden van de transactie zijn doorslaggevend voor de bepaling van de bevoegde rechter en, bij uitbreiding, het toepasselijke juridische regime.
Toegepaste Wetsartikelen
Art. I.1, 1°, (a)
Wetboek van Economisch Recht
Definitie van het begrip 'onderneming' voor een natuurlijke persoon.
Art. 568, lid 1
Gerechtelijk Wetboek
Voorwaardelijke volheid van bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg.
Art. 573, eerste lid
Gerechtelijk Wetboek
Algemene bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank voor geschillen tussen ondernemingen.
Art. 639
Gerechtelijk Wetboek
Procedure voor verwijzing naar de bevoegde rechtbank bij onbevoegdheid.
Vergelijkbare situatie?
Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten.
Gerelateerde Zaken
Alle rechtspraakOnbetaalde factuur: Vrederechter schrapt eenzijdig schadebeding op basis van consumentenrecht
Vredegerecht van het kanton Oudenaarde
5 jan 2026
Geldlening niet terugbetaald? Geen onmiddellijke opeisbaarheid zonder contractuele clausule
Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg - Afdeling Hasselt
30 sep 2025
Geldlening niet betaald? Geen ontbinding en onmiddellijke opeisbaarheid zonder expliciet beding
Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg - Afdeling Hasselt
30 sep 2025