Terug naar Rechtspraak
    Verkeersrecht
    Vordering toegewezen

    Werkstraf voor leerling-bestuurder na stapel aan verkeersinbreuken: analyse van samenloop en sanctie

    Mr. Peter-Jan De MeulenaerePolitierechtbank West-Vlaanderen - Afdeling Kortrijk10 februari 2026533 weergaven
    Delen:
    verkeersrechtwerkstrafvoorlopig rijbewijsveiligheidsgordelkinderbeveiligingssysteemsamenlooppolitierechtbankstraftoemeting

    Samenvatting van de Zaak

    Situatie

    In dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, stond een beklaagde terecht voor een reeks gelijktijdige verkeersinbreuken. De feiten vonden plaats op één enkele dag, waarbij de bestuurder, houder van een voorlopig rijbewijs B met begeleider, vier verschillende overtredingen beging. De tenlasteleggingen omvatten het niet dragen van de veiligheidsgordel, het onjuist vervoeren van een kind zonder geschikt kinderbeveiligingssysteem, het besturen van het voertuig zonder de verplichte begeleider en met een niet-toegelaten passagier, en het vervoeren van meer inzittenden dan het aantal beschikbare zitplaatsen met een gordel.

    Geschil

    Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling voor alle vier de feiten. De verdediging, gevoerd door de advocaat van de beklaagde, kon de materiële feiten niet weerleggen. De beklaagde stemde tijdens de zitting in met het uitvoeren van een autonome werkstraf, een mogelijkheid waarover de rechtbank voorafgaand een positief advies had ingewonnen bij het Justitiehuis via een beknopt voorlichtingsrapport. De rechter oordeelde dat alle vier de tenlasteleggingen bewezen waren. Cruciaal in de redenering van de rechtbank was de toepassing van het principe van eendaadse samenloop (artikel 65 van het Strafwetboek). Omdat alle overtredingen voortkwamen uit één en hetzelfde misdadige opzet – namelijk de beslissing om op die specifieke manier met het voertuig te rijden – werd slechts één straf opgelegd, namelijk de zwaarste die op de feiten van toepassing is.

    Beslissing

    Bij de straftoemeting koos de rechtbank, rekening houdend met de ernst van de feiten, het positieve advies van het Justitiehuis en de instemming van de beklaagde, voor een autonome werkstraf van 50 uur. Deze straf werd als passend beschouwd om zowel de maatschappelijke afkeuring te uiten als de re-integratie van de beklaagde te bevorderen. Als subsidiaire straf, voor het geval de werkstraf niet binnen de termijn van twaalf maanden wordt uitgevoerd, werd een geldboete van 800 euro vastgesteld. De beklaagde werd tevens veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten en bijdragen aan het Slachtofferfonds en het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.

    Uitkomst:
    Vordering toegewezen

    Kernpunten

    • 1Meerdere verkeersinbreuken tijdens één rit kunnen als één feit worden bestraft (eendaadse samenloop), waarbij enkel de zwaarste straf wordt toegepast.
    • 2De voorwaarden van een voorlopig rijbewijs (aanwezigheid begeleider, geen extra passagiers) zijn absoluut en worden streng gehandhaafd.
    • 3Een autonome werkstraf is een volwaardig alternatief voor een geldboete, gericht op sensibilisering en rehabilitatie van de overtreder.
    • 4De instemming van de beklaagde en een positief advies van het Justitiehuis zijn cruciaal voor het opleggen van een werkstraf.
    • 5Het niet correct zekeren van passagiers, met name kinderen, wordt als een zeer ernstige inbreuk beschouwd.

    Juridische Analyse

    Inleiding: Een opeenstapeling van verkeersinbreuken onder een voorlopig rijbewijs

    Dit vonnis van de Politierechtbank te Kortrijk behandelt een casus die een schoolvoorbeeld is van hoe één enkele autorit kan leiden tot een cumulatie van diverse verkeersinbreuken. De beklaagde, een leerling-bestuurder met een voorlopig rijbewijs met begeleider (model M18), negeerde niet alleen de algemene verkeersregels, maar ook de specifieke, strikte voorwaarden die aan zijn rijbewijs verbonden zijn. De rechtbank past hierbij correct het principe van eendaadse samenloop toe en opteert voor een alternatieve bestraffing in de vorm van een autonome werkstraf.

    Analyse van de bewezen verklaarde feiten

    De absolute plicht tot het dragen van de gordel en kinderbeveiliging

    De eerste twee tenlasteleggingen (A en B) betreffen overtredingen van artikel 35.1.1 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 (het Wegverkeersreglement). Dit artikel legt een absolute verplichting op aan bestuurders en passagiers om de veiligheidsgordel te dragen op plaatsen die ermee zijn uitgerust. De tweede paragraaf van dit artikel specificeert de regels voor het vervoer van kinderen:

    • Kinderen kleiner dan 135 cm moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem.
    • Kinderen tussen 135 cm en 18 jaar moeten ofwel in een kinderbeveiligingssysteem, ofwel met de veiligheidsgordel worden vastgeklikt.

    Deze regels zijn van openbare orde en dulden nauwelijks uitzonderingen. De wetgever en de rechtspraak hechten een primordiaal belang aan de fysieke integriteit van inzittenden, in het bijzonder van minderjarigen. Het negeren van deze plicht wordt dan ook streng bestraft. De combinatie van het zelf niet dragen van de gordel en het onveilig vervoeren van een kind getuigt van een aanzienlijk gebrek aan verantwoordelijkheidszin.

    De strikte voorwaarden van het voorlopig rijbewijs

    De meest specifieke en ernstige inbreuk in deze zaak is wellicht tenlastelegging C: de overtreding van de voorwaarden van het voorlopig rijbewijs. De beklaagde was houder van een voorlopig rijbewijs met begeleider, waarvan de regels zijn vastgelegd in het KB van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs. Artikel 3 van dit KB stelt duidelijke voorwaarden:

    • De leerling-bestuurder moet steeds vergezeld zijn van een van de op het rijbewijs vermelde begeleiders.
    • Buiten de bestuurder en de begeleider(s) mag er geen andere passagier in het voertuig aanwezig zijn.

    Het doel van deze regels is om de leerling-bestuurder in een veilige en gecontroleerde omgeving te laten oefenen, onder toezicht van een ervaren bestuurder en zonder de afleiding van extra passagiers. Door alleen te rijden en bovendien een extra passagier (en een kind) mee te nemen, ondermijnde de beklaagde de volledige filosofie achter het leertraject. Juridisch gezien wordt dit beschouwd als rijden zonder geldig rijbewijs voor de omstandigheden, een zware overtreding.

    Het aantal passagiers (tenlastelegging D)

    De vierde inbreuk, het vervoeren van meer passagiers dan er gordels zijn (art. 44.1 Wegverkeersreglement), is een logisch gevolg van de andere feiten. Deze regel is eenvoudig: het aantal personen in een voertuig mag niet groter zijn dan het aantal plaatsen dat is uitgerust met een veiligheidsgordel. Deze overtreding hangt onlosmakelijk samen met de inbreuken op de gordeldracht en onderstreept de gevaarzetting die door de beklaagde werd gecreëerd.

    De juridische redenering van de rechtbank

    Toepassing van eendaadse samenloop

    De rechtbank stelt vast dat de vier tenlasteleggingen voortkomen uit "één en hetzelfde opzet". Dit is een correcte toepassing van het leerstuk van de eendaadse samenloop, zoals bepaald in artikel 65 van het Strafwetboek. Dit artikel stelt:

    "Wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken."

    In de praktijk wordt dit ook toegepast wanneer meerdere, onderscheiden feiten zo nauw met elkaar verbonden zijn dat ze worden beschouwd als de uitvoering van één enkel misdadig voornemen. In casu was dat het voornemen om een autorit te maken in strijd met diverse regels. Het gevolg is dat de rechter niet voor elke inbreuk een aparte straf oplegt, maar één globale straf, gebaseerd op de zwaarste van de toepasselijke straffen.

    De keuze voor een autonome werkstraf

    De kern van de straftoemeting is de beslissing om een autonome werkstraf op te leggen (art. 37quinquies e.v. Strafwetboek). Dit is een hoofdstraf, net als een geldboete of een gevangenisstraf. De rechter kan hiervoor opteren als hij dit opportuun acht voor feiten die niet strafbaar zijn met meer dan 5 jaar correctionele gevangenisstraf. De rechtbank motiveert deze keuze door te verwijzen naar verschillende doelstellingen:

    • Maatschappelijke afkeuring: De werkstraf is een duidelijke sanctie die het onaanvaardbare karakter van de feiten benadrukt.
    • Herstel en rehabilitatie: In tegenstelling tot een loutere geldboete, dwingt een werkstraf de veroordeelde tot een actieve, onbezoldigde inzet voor de samenleving. Dit wordt geacht een groter sensibiliserend en corrigerend effect te hebben.
    • Proportionaliteit: De rechtbank weegt de ernst van de feiten af tegen de persoonlijke situatie van de beklaagde.

    De procedurele stappen waren hierbij cruciaal. De rechtbank had een voorlichtingsrapport opgevraagd bij het Justitiehuis, dat positief adviseerde. Bovendien gaf de beklaagde zelf zijn uitdrukkelijke toestemming. Zonder deze instemming kan een autonome werkstraf niet worden opgelegd. De subsidiaire geldboete van 800 euro dient als stok achter de deur: bij niet-uitvoering van de werkstraf wordt deze boete onmiddellijk opeisbaar.

    Praktische implicaties en tips

    Voor leerling-bestuurders

    De regels verbonden aan een voorlopig rijbewijs zijn geen aanbevelingen, maar strikte wettelijke verplichtingen. Overtredingen worden streng bestraft en kunnen leiden tot zware boetes, rijverboden en, zoals hier, een werkstraf. De aanwezigheid van de begeleider en het verbod op extra passagiers (voor model M18) zijn absolute voorwaarden.

    Strategische overwegingen bij de verdediging

    Wanneer de feiten materieel vaststaan, kan het een goede strategie zijn om de verdediging te richten op de straftoemeting. Het actief aansturen op een werkstraf, door hiervoor open te staan en een positieve houding aan te nemen, kan een rechter overtuigen om deze alternatieve sanctie op te leggen in plaats van een hoge geldboete of een rijverbod. Een positief verslag van het Justitiehuis is hierbij van onschatbare waarde.

    Het belang van veiligheid

    Dit vonnis herinnert er nogmaals aan dat de regels inzake gordeldracht en kinderbeveiliging tot de meest fundamentele verkeersregels behoren. Een controle hierop is eenvoudig en de gevolgen van een overtreding, zowel juridisch als op het vlak van letsels bij een ongeval, kunnen dramatisch zijn. De regel 'één persoon per gordel' is de basis voor een veilig vervoer.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 29 §1

    Wegverkeerswet

    Strafbaarstelling van overtredingen op het Wegverkeersreglement.

    Art. 30 §2

    Wegverkeerswet

    Strafbaarstelling van het sturen zonder te voldoen aan de voorwaarden voor het rijbewijs.

    Art. 38 §1

    Wegverkeerswet

    Opleggen van een verval van het recht tot sturen.

    Art. 35.1.1

    KB 01/12/1975 (Wegverkeersreglement)

    Verplichting tot dragen van de veiligheidsgordel en gebruik van kinderbeveiligingssystemen.

    Art. 44.1

    KB 01/12/1975 (Wegverkeersreglement)

    Verbod op het vervoeren van meer passagiers dan het aantal plaatsen met veiligheidsgordel.

    Art. 3

    KB 10/07/2006 (Rijbewijs)

    Voorwaarden voor het besturen van een voertuig onder dekking van een voorlopig rijbewijs B met begeleider.

    Art. 37quinquies

    Strafwetboek

    Definitie en voorwaarden van de autonome werkstraf.

    Art. 65

    Strafwetboek

    Regeling van de eendaadse samenloop van misdrijven.

    Vergelijkbare situatie?

    Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten.