Terug naar Rechtspraak
    Handelsrecht
    onbevoegd verklaard

    De valkuil van de gemengde verweerder: Ondernemingsrechtbank verklaart zich onbevoegd

    Mr. Peter-Jan De MeulenaereOndernemingsrechtbank Gent - Afdeling Brugge17 februari 2026544 weergaven
    Delen:
    bevoegdheidondernemingsrechtbankarrondissementsrechtbankonderneminghandelshuurovername handelsfondsgerechtelijk wetboek

    Samenvatting van de Zaak

    Situatie

    Dit vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende, behandelt een geschil dat voortvloeit uit een mislukte overeenkomst voor de onderverhuring en potentiële overname van een handelszaak, met name een café. De eiseres, die het café zou uitbaten, had een bedrag van € 13.000 betaald als "voorschot als waarborg". De overeenkomst bestond uit een complex en onduidelijk geheel van een onderhuurcontract en twee addenda, waarin de termen huur, waarborg en overnameprijs door elkaar werden gebruikt.

    Geschil

    De eiseres vordert de terugbetaling van dit voorschot van € 13.000. Zij stelt dat de overdracht van de handelszaak onmogelijk werd omdat de hoofdverhuurder, [BROUWERIJ X], geen toestemming gaf voor de onderverhuring. Zonder deze toestemming was de basis van de overeenkomst weggevallen, waardoor de betaalde som zonder oorzaak was en terugbetaald moest worden. De verwerende partijen – de vennootschap die het café uitbaatte en haar twee zaakvoerders in persoonlijke naam – betwisten de vordering. Zij argumenteren dat de eiseres zelf verantwoordelijk is voor het afspringen van de deal. Bovendien dienden zij een tegenvordering in van € 24.584,60 als schadevergoeding voor werken die de eiseres in het pand zou hebben uitgevoerd in afwachting van de definitieve overeenkomst.

    Beslissing

    De rechtbank gaat echter niet in op de grond van de zaak. Ambtshalve onderzoekt zij haar eigen materiële bevoegdheid. De rechtbank stelt vast dat de Ondernemingsrechtbank, volgens artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, in principe bevoegd is voor geschillen tussen ondernemingen. Hoewel een niet-onderneming een onderneming kan dagen voor deze rechtbank, is een cruciale voorwaarde dat alle verwerende partijen de hoedanigheid van onderneming moeten hebben. In casu zijn twee van de drie verweerders natuurlijke personen die niet ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) en dus niet als onderneming kunnen worden beschouwd. Omdat niet aan deze voorwaarde is voldaan, verklaart de Ondernemingsrechtbank zich onbevoegd. Aangezien de verweerders de exceptie van onbevoegdheid niet zelf hebben opgeworpen, wordt de zaak verwezen naar de Arrondissementsrechtbank, die zal bepalen welke rechtbank (vermoedelijk de Vrederechter) wel bevoegd is. De kosten worden aangehouden.

    Uitkomst:
    onbevoegd verklaard

    Kernpunten

    • 1De Ondernemingsrechtbank is enkel bevoegd als alle verweerders de hoedanigheid van onderneming hebben.
    • 2Het dagvaarden van een mix van ondernemingen en niet-ondernemingen voor de Ondernemingsrechtbank leidt tot onbevoegdheid.
    • 3Indien de onbevoegdheid niet door een partij wordt opgeworpen, verwijst de rechtbank de zaak naar de Arrondissementsrechtbank om de bevoegde rechter aan te duiden.
    • 4Een onduidelijke contractuele kwalificatie (bv. huur vs. overname) kan leiden tot discussies over de materiële bevoegdheid van de rechtbank.
    • 5Controleer altijd de inschrijving van alle tegenpartijen in de KBO alvorens een procedure op te starten.

    Juridische Analyse

    Inleiding: Een Procedurele Hordenloop voor de Grond van de Zaak

    Dit vonnis is een illustratie van een fundamenteel principe in het Belgische procesrecht: een rechter moet eerst zijn eigen bevoegdheid nagaan alvorens hij de grond van de zaak kan beoordelen. De Ondernemingsrechtbank wordt hier geconfronteerd met een vordering die op het eerste gezicht commercieel van aard lijkt, maar stuit op een onoverkomelijk bevoegdheidsprobleem. De analyse van de rechtbank focust zich niet op wie gelijk heeft over de € 13.000, maar op de vraag of zij überhaupt de juiste rechtbank is om hierover te oordelen. De uitkomst – een verwijzing naar de Arrondissementsrechtbank – leidt tot vertraging en extra kosten voor de partijen, en onderstreept het cruciale belang van het correct identificeren van de bevoegde rechtbank bij aanvang van een procedure.

    Analyse van de Materiële Bevoegdheid

    De Strikte Toepassing van Artikel 573 Gerechtelijk Wetboek

    De kern van de beslissing ligt in de interpretatie van de materiële bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank, zoals geregeld in artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.). Dit artikel bepaalt, in zijn eerste lid, dat de Ondernemingsrechtbank kennisneemt van geschillen tussen ondernemingen. De wet definieert een 'onderneming' ruim, maar vereist voor natuurlijke personen in principe een zelfstandige beroepsactiviteit, wat doorgaans blijkt uit een inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO).

    Het vonnis past de uitzondering toe die is voorzien voor vorderingen ingesteld door een niet-onderneming tegen een onderneming. De eiseres, een natuurlijke persoon, kon de verwerende vennootschap (BV [BEDRIJF A]) dus perfect voor de Ondernemingsrechtbank dagen. Het probleem ontstaat echter doordat zij ook twee natuurlijke personen, de zaakvoerders, mee in de procedure betrekt. De rechtbank stelt vast dat deze twee personen niet als onderneming zijn geregistreerd. De rechtspraak en rechtsleer zijn unaniem dat in geval van passieve hoofdelijkheid of een onsplitsbaar geschil, de hoedanigheid van onderneming vereist is voor alle verweerders. De rechtbank verwoordt dit helder:

    De hoedanigheid van ondernemer is evenwel - in het kader van die bepaling - vereist voor alle verweerders.

    Omdat aan deze voorwaarde niet is voldaan, kan de Ondernemingsrechtbank geen kennis nemen van het geschil. Deze strikte interpretatie is een constante in de rechtspraak en dient om de gespecialiseerde bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank af te bakenen en te voorkomen dat zij een 'algemene' rechtbank wordt voor elk geschil waarbij toevallig ook een onderneming betrokken is.

    De Verwijzing naar de Arrondissementsrechtbank

    De volgende procedurele stap is eveneens van groot belang. Wanneer een rechtbank haar onbevoegdheid vaststelt en de verwerende partij deze exceptie niet zelf heeft opgeworpen (wat hier het geval was), moet de zaak verwezen worden naar de Arrondissementsrechtbank. Deze rechtbank fungeert als een soort verkeersleider voor bevoegdheidsconflicten. Zij zal niet oordelen over de grond van de zaak, maar enkel en alleen de bevoegde rechtbank aanduiden en de zaak naar die rechtbank verwijzen. In dit geval zal de Arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen moeten beslissen welke rechter materieel bevoegd is.

    De Impliciete Hint naar de Vrederechter

    Hoewel de Ondernemingsrechtbank zich beperkt tot het vaststellen van haar eigen onbevoegdheid, geeft ze een duidelijke hint over welke rechtbank wellicht wél bevoegd is. Ze verwijst naar artikel 591, 1° Ger.W., dat de vrederechter een exclusieve bevoegdheid toekent voor "geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak". De rechtbank merkt op dat de verwarrende overeenkomst lijkt te wijzen op een onderverhuring van een onroerend goed, gekoppeld aan de huur van een handelszaak. Gezien de kern van de overeenkomst een (onder)huur van een pand betreft, is de kans zeer groot dat de Arrondissementsrechtbank de zaak zal toewijzen aan de Vrederechter. De vordering tot terugbetaling van de waarborg en de tegenvordering tot schadevergoeding kunnen dan als 'samenhangende vorderingen' worden beschouwd.

    Praktische Implicaties en Aandachtspunten

    Voor Advocaten en Rechtszoekenden

    • Verifieer de hoedanigheid van alle partijen: De belangrijkste les uit dit vonnis is de noodzaak om vóór het uitbrengen van de dagvaarding de juridische status van elke verwerende partij grondig te controleren via de KBO. Het dagvaarden van een 'gemengde' groep van ondernemingen en niet-ondernemingen voor de Ondernemingsrechtbank is een klassieke procedurefout die leidt tot onnodige vertraging en kosten.
    • Strategische keuzes bij meerdere verweerders: Indien men geconfronteerd wordt met een groep van verweerders waarvan sommigen wel en anderen geen onderneming zijn, moet een strategische keuze worden gemaakt. Men kan overwegen om enkel de onderneming(en) te dagvaarden voor de Ondernemingsrechtbank, of alle partijen samen te dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg, die een algemene bevoegdheid heeft.
    • Duidelijkheid in contracten: De rechtbank merkt de conceptuele verwarring in de overeenkomst op. Het door elkaar gebruiken van termen als 'huur', 'waarborg' en 'voorschot op overnameprijs' creëert niet alleen inhoudelijke discussies, maar kan ook, zoals hier, leiden tot bevoegdheidsconflicten. Een helder onderscheid tussen de huur van het onroerend goed, de huur/overname van het handelsfonds en de daarbij horende waarborgen is essentieel.

    Voor de Betrokken Partijen in dit Geschil

    De partijen zijn door deze beslissing terug bij af. De zaak zal nu eerst voor de Arrondissementsrechtbank komen, die haar zal doorverwijzen. Pas daarna kan de procedure ten gronde voor de correcte rechter (vermoedelijk de Vrederechter) worden opgestart. Dit betekent een aanzienlijke vertraging van minstens enkele maanden. De aangehouden kosten zullen uiteindelijk ten laste vallen van de partij die in de grond van de zaak in het ongelijk wordt gesteld. Voor de eiseres betekent dit dat de recuperatie van haar € 13.000 nog verder in de toekomst ligt.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 573

    Gerechtelijk Wetboek

    Algemene bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank voor geschillen tussen ondernemingen.

    Art. 591, 1°

    Gerechtelijk Wetboek

    Exclusieve bevoegdheid van de vrederechter voor geschillen betreffende de huur van onroerende goederen.

    Vergelijkbare situatie?

    Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten.