Terug naar Rechtspraak
    Handelsrecht
    Andere uitspraak

    Ondernemingsrechtbank onbevoegd bij niet-ondernemer als verweerder

    Mr. Peter-Jan De MeulenaereOndernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende17 februari 2026Gepubliceerd Bijgewerkt 107 weergaven
    Delen:
    Handelsrecht - Ondernemingsrechtbank onbevoegd bij niet-ondernemer als verweerder

    Samenvatting van de Zaak

    Dit vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende, behandelt een geschil dat voortvloeit uit een mislukte overeenkomst voor de onderverhuring en potentiële overname van een handelszaak. Volgens de eiseres besloot een BV, die een café huurde, eind december 2020 dat café aan haar onder te verhuren met een optie tot overdracht van de handelszaak; de eiseres betaalde naar eigen zeggen € 13.000 als "voorschot als waarborg". De overeenkomst was onduidelijk, waarbij de termen huur, waarborg en overnameprijs door elkaar werden gebruikt. De eiseres vordert de terugbetaling van het voorschot, omdat de overdracht van de handelszaak onmogelijk werd doordat de hoofdverhuurder (een brouwerij) geen toestemming gaf voor de onderverhuring. De verwerende partijen – de BV die het café huurde en twee natuurlijke personen – betwisten dit en stellen dat de eiseres zelf verantwoordelijk is. Zij dienden een tegenvordering in van € 24.584,60 voor beweerde schade. De rechtbank gaat niet in op de grond van de zaak, maar onderzoekt ambtshalve haar eigen materiële bevoegdheid. Volgens artikel 573 Ger.W. is de Ondernemingsrechtbank bevoegd voor geschillen tussen ondernemingen. Een eiser die geen onderneming is, kan een onderneming voor de ondernemingsrechtbank dagen; volgens de rechtbank moeten dan wel alle verweerders de hoedanigheid van onderneming hebben. In dit geval zijn twee van de drie verweerders natuurlijke personen die niet in de KBO zijn ingeschreven. Omdat niet aan deze voorwaarde is voldaan, acht de Ondernemingsrechtbank zich niet bevoegd. Aangezien de verweerders geen exceptie van onbevoegdheid opwierpen, wordt de zaak verwezen naar de Arrondissementsrechtbank, die de bevoegde rechter zal aanduiden. De kosten worden aangehouden.

    Uitkomst:
    Andere uitspraak

    Kernpunten

    • 1Volgens deze rechtbank is de ondernemingsrechtbank op grond van art. 573 Ger.W. enkel bevoegd als alle verweerders de hoedanigheid van onderneming hebben.
    • 2Het dagvaarden van een vennootschap samen met natuurlijke personen die geen onderneming zijn, leidde ertoe dat de ondernemingsrechtbank ambtshalve haar onbevoegdheid opwierp en de zaak naar de arrondissementsrechtbank verwees.
    • 3Moet de rechter ambtshalve een middel van onbevoegdheid opwerpen, dan verwijst hij de zaak naar de arrondissementsrechtbank (art. 640 Ger.W.), die over de bevoegdheid beslist en zo nodig de bevoegde rechter aanwijst (art. 660 Ger.W.).
    • 4Een onduidelijke contractuele kwalificatie (bv. huur vs. overname) kan leiden tot discussies over de materiële bevoegdheid van de rechtbank.
    • 5Controleer altijd de inschrijving van alle tegenpartijen in de KBO alvorens een procedure op te starten.

    Juridische Analyse

    Inleiding: Een Procedurele Hordenloop voor de Grond van de Zaak

    Dit vonnis is een illustratie van een fundamenteel principe in het Belgische procesrecht: een rechter moet eerst zijn eigen bevoegdheid nagaan alvorens hij de grond van de zaak kan beoordelen. De Ondernemingsrechtbank wordt hier geconfronteerd met een vordering die op het eerste gezicht commercieel van aard lijkt, maar stuit op een onoverkomelijk bevoegdheidsprobleem. De analyse van de rechtbank focust zich niet op wie gelijk heeft over de € 13.000, maar op de vraag of zij überhaupt de juiste rechtbank is om hierover te oordelen. De uitkomst – een verwijzing naar de Arrondissementsrechtbank – leidt tot vertraging en onderstreept het cruciale belang van het correct identificeren van de bevoegde rechtbank bij aanvang van een procedure.

    Analyse van de Materiële Bevoegdheid

    De Strikte Toepassing van Artikel 573 Gerechtelijk Wetboek

    De kern van de beslissing ligt in de interpretatie van de materiële bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank, zoals geregeld in artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.). Dit artikel bepaalt, in zijn eerste lid, dat de Ondernemingsrechtbank kennisneemt van geschillen tussen ondernemingen, die voor natuurlijke personen betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd is aan hun onderneming. Een natuurlijke persoon is een onderneming als hij zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent (art. I.1, 1°, a) WER). Bovendien geldt de bevoegdheid enkel voor geschillen die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen. De rechtbank steunt haar vaststelling op het ontbreken van een inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) en op het feit dat ter zitting, op vraag van de rechtbank, niet werd aangetoond dat de twee natuurlijke personen ondernemers zijn.

    Het vonnis wijst op de regel dat de Ondernemingsrechtbank ook bevoegd blijft als de eiser geen onderneming is. De eiseres, een natuurlijke persoon, kon de verwerende vennootschap dus in beginsel voor de Ondernemingsrechtbank dagen, onder voorbehoud van bijzondere bevoegdheden zoals die van de vrederechter. Het probleem ontstaat echter doordat zij ook twee natuurlijke personen mee in de procedure betrekt. De rechtbank stelt vast dat deze twee personen geen ondernemers blijken te zijn. Volgens de rechtbank is in het kader van artikel 573 Ger.W. de hoedanigheid van ondernemer vereist voor alle verweerders. De rechtbank verwoordt dit helder:

    De hoedanigheid van ondernemer is evenwel - in het kader van die bepaling - vereist voor alle verweerders.

    Omdat aan deze voorwaarde niet is voldaan, kan de Ondernemingsrechtbank geen kennis nemen van het geschil. Het vonnis motiveert die lezing niet verder en verwijst niet naar rechtspraak of rechtsleer.

    De Verwijzing naar de Arrondissementsrechtbank

    De volgende procedurele stap is eveneens van groot belang. Wanneer een rechter, zoals hier, ambtshalve een middel van onbevoegdheid moet opwerpen omdat de verwerende partij geen exceptie van onbevoegdheid heeft opgeworpen, gelast hij op grond van artikel 640 Ger.W. de verwijzing van de zaak naar de Arrondissementsrechtbank, opdat over het middel beslist wordt. De arrondissementsrechtbank roept de partijen op en doet onverwijld uitspraak over de bevoegdheid, na advies van het openbaar ministerie (art. 641 Ger.W.). Zij verwijst de zaak naar de bevoegde rechter die zij aanwijst, en die beslissing bindt de rechter naar wie verwezen wordt (art. 660 Ger.W.). Tegen haar beslissing staat alleen een voorziening open voor de procureur-generaal bij het hof van beroep (art. 642 Ger.W.). In dit geval zal de Arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen moeten beslissen welke rechter materieel bevoegd is.

    De Impliciete Hint naar de Vrederechter

    Hoewel de Ondernemingsrechtbank zich beperkt tot het vaststellen van haar eigen onbevoegdheid, verwijst ze naar de bevoegdheid van de vrederechter. Ze verwijst naar artikel 591 Ger.W. De rechtbank merkt op dat de verwarrende overeenkomst lijkt te wijzen op een onderverhuring van een onroerend goed, gekoppeld aan de huur van een handelszaak. Volgens artikel 591, 1° Ger.W. neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak. De ondernemingsrechtbank laat de vraag of de vrederechter bevoegd is uitdrukkelijk open ("Wat er ook van zij"); het is aan de arrondissementsrechtbank om de bevoegde rechter aan te wijzen.

    Praktische Implicaties en Aandachtspunten

    Voor Advocaten en Rechtszoekenden

    • Verifieer de hoedanigheid van alle partijen: De belangrijkste les uit dit vonnis is de noodzaak om vóór het uitbrengen van de dagvaarding de juridische status van elke verwerende partij grondig te controleren via de KBO. Het dagvaarden van een 'gemengde' groep van ondernemingen en niet-ondernemingen voor de Ondernemingsrechtbank kan, zoals hier, tot onbevoegdheid en vertraging leiden.
    • Strategische keuzes bij meerdere verweerders: Indien men geconfronteerd wordt met een groep van verweerders waarvan sommigen wel en anderen geen onderneming zijn, moet een strategische keuze worden gemaakt. Men kan overwegen om enkel de onderneming(en) te dagvaarden voor de Ondernemingsrechtbank, of alle partijen samen te dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg, die kennisneemt van alle vorderingen (art. 568 Ger.W.). Houd daarbij rekening met bijzondere bevoegdheden, zoals die van de vrederechter voor huurgeschillen (art. 591, 1° Ger.W.).
    • Duidelijkheid in contracten: De rechtbank merkt de conceptuele verwarring in de overeenkomst op. Het door elkaar gebruiken van termen als 'huur', 'waarborg' en 'voorschot op overnameprijs' creëert niet alleen inhoudelijke discussies, maar kan ook, zoals hier, leiden tot bevoegdheidsconflicten. Een helder onderscheid tussen de huur van het onroerend goed, de huur/overname van het handelsfonds en de daarbij horende waarborgen is essentieel.

    Voor de Betrokken Partijen in dit Geschil

    De zaak komt nu eerst voor de arrondissementsrechtbank, die de bevoegde rechter aanwijst; daarna wordt ze voor die rechter behandeld. Dit betekent een procedurele omweg die de uiteindelijke beslechting van het geschil vertraagt. Over de kosten, die de ondernemingsrechtbank aanhoudt, wordt later beslist. Voor de eiseres betekent dit dat een beslissing over haar vordering tot terugbetaling van € 13.000 nog verder in de toekomst ligt.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 573

    Gerechtelijk Wetboek

    De ondernemingsrechtbank neemt kennis van geschillen tussen ondernemingen die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen; ook een eiser die geen onderneming is, kan een vordering tegen een onderneming voor haar brengen.

    Art. 591, 1°

    Gerechtelijk Wetboek

    De vrederechter neemt, ongeacht het bedrag, kennis van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak.

    Art. 640

    Gerechtelijk Wetboek

    Verwijzing naar de arrondissementsrechtbank wanneer de rechter ambtshalve een middel van onbevoegdheid moet opwerpen.

    Art. 641

    Gerechtelijk Wetboek

    Oproeping van de partijen; de arrondissementsrechtbank doet onverwijld uitspraak, na advies van het openbaar ministerie.

    Art. 642

    Gerechtelijk Wetboek

    Tegen de beslissing van de arrondissementsrechtbank staat alleen een voorziening open voor de procureur-generaal bij het hof van beroep.

    Art. 660

    Gerechtelijk Wetboek

    De beslissing over de bevoegdheid verwijst de zaak naar de aangewezen rechter en bindt die rechter.

    Art. I.1, 1°

    Wetboek van economisch recht

    Definitie van onderneming, onder meer iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent.

    Meer over Ondernemingsrecht

    Ontdek al onze diensten, juridische tools en artikelen over ondernemingsrecht.

    Bekijk expertisepagina Ondernemingsrecht

    Veelgestelde vragen over deze zaak

    Meer over Handelsrecht

    Vergelijkbare situatie? Spreek een advocaat

    Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).

    Liever eerst bellen? 050 67 32 06

    Kantoor € 75Video € 50

    Prijzen excl. btw

    Meer info: cookie beleid · privacy