U hebt geld voorgeschoten aan iemand die u vertrouwde. Een partner die zijn wagen niet kon betalen, een vriend die een zaak wilde starten, een ex die na de breuk vergat dat er nog een krediet op beider naam liep. Of u zit aan de andere kant: er valt een dagvaarding in de bus voor een factuur die u al lang betwist, met een schadebeding erbovenop dat hoger oploopt dan de factuur zelf. In al die gevallen draait het om dezelfde vraag: wat is er afgesproken, wat kunt u daarvan bewijzen en wat doet een rechter ermee?
Die laatste vraag is de kern van deze pagina. Niet wat het verbintenissenrecht in theorie zegt, maar wat Belgische rechters, vooral in Vlaanderen, in de praktijk beslissen wanneer geld niet terugkomt of een contract ontspoort. We bouwen dat op met de uitspraken die we op lawbase.be analyseerden: vonnissen van vredegerechten, rechtbanken van eerste aanleg en het hof van beroep. Daarnaast vindt u het wettelijk kader, de termijnen die tellen en wat u kunt doen zodra er een vonnis ligt. Wie vandaag twijfelt of hij een procedure moet starten of zich moet verdedigen, heeft meer aan een eerlijke inschatting dan aan een geruststelling die niet klopt.
Een lening bewijzen: daar stranden de meeste vorderingen
Wie geld terugvraagt dat hij heeft uitgeleend, moet twee dingen bewijzen: dat het geld werd overhandigd en dat de ander zich verbond om het terug te betalen. Het eerste is meestal eenvoudig, want er is een bankoverschrijving. Het tweede is het probleem. Tussen partners, familieleden en vrienden wordt zelden iets opgeschreven, en wie het geld kreeg, zegt achteraf vaak dat het een geschenk was of een bijdrage in de gezamenlijke kosten.
De bewijslast ligt bij u als eiser. Artikel 8.4 BW bepaalt dat wie meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten moet bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Bij twijfel verliest wie moest bewijzen. Voor een lening vanaf 3.500 euro komt daar een strengere regel bij: artikel 8.9, § 1 BW eist dat een rechtshandeling met betrekking tot een som of waarde die gelijk is aan of hoger is dan 3.500 euro, wordt bewezen door een ondertekend geschrift. Een overschrijving is geen ondertekend geschrift van de ontlener.
Hoe streng rechters dat toepassen, blijkt uit een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 3 januari 2025. Een vrouw vorderde na het einde van een feitelijke samenwoning ruim 33.000 euro terug van haar ex-partner, vooral voor wagens die zij had betaald. De rechtbank oordeelde dat zij geen lening kon bewijzen: een bankoverschrijving met de mededeling "lening" volstond niet om de terugbetalingsverbintenis aan te tonen. Omdat een deel van de betalingen dateerde van vóór 1 november 2020, paste de rechtbank voor die betalingen nog het oude bewijsrecht toe, met de vroegere grens van 375 euro uit artikel 1341 oud BW (dat artikel is sinds 1 november 2020 opgeheven). Lees de volledige analyse in lening aan ex-partner terugvorderen zonder contract.
Het hof van beroep Gent kwam op 28 februari 2019 tot eenzelfde vaststelling in een andere zaak. Een vrouw had zelf een lening afgesloten om de schulden van haar partner af te lossen. Dat zij die lening aanging, bewees volgens het hof niet dat hij zich tegenover haar tot terugbetaling had verbonden. Haar eigen verklaringen en sms-berichten volstonden evenmin, en volgens het hof verkeerde zij niet in de onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen.
Wanneer u zonder ondertekend geschrift toch kunt bewijzen
De regel van artikel 8.9 BW kent uitzonderingen, en daar liggen vaak de kansen. Artikel 8.12 BW laat een uitzondering toe bij materiële of morele onmogelijkheid om zich een akte te verschaffen, of wanneer het gebruikelijk is geen akte op te stellen. Artikel 8.13 BW bepaalt dat het ondertekend geschrift kan worden vervangen door een bekentenis, een beslissende eed of een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met een ander bewijsmiddel.
Let op wat een begin van bewijs door geschrift is. Artikel 8.1, 7° BW omschrijft het als een geschrift dat uitgaat van degene die de rechtshandeling betwist, en dat de aangevoerde rechtshandeling waarschijnlijk maakt. Een mededeling die u zelf bij een overschrijving typt, gaat van u uit en telt dus niet. Een bericht, e-mail of brief van de ontlener waarin hij het over "terugbetalen" heeft, kan wel zo'n begin van bewijs zijn. De rechter beoordeelt dat geval per geval.
Het omgekeerde geldt tegenover ondernemingen. Artikel 8.11 BW laat toe dat bewijs tussen of tegen ondernemingen met alle bewijsmiddelen wordt geleverd. Wie geen onderneming is en tegen een onderneming wil bewijzen, mag dus ook alle bewijsmiddelen gebruiken. Een onderneming die tegen een particulier wil bewijzen, blijft wel gebonden aan de gewone regels.
Geen bewezen lening? Ongerechtvaardigde verrijking als vangnet
Een mislukte vordering op basis van een lening hoeft niet het einde te zijn. In de zaak uit Dendermonde had de eiseres haar vordering in ondergeschikte orde gesteund op ongerechtvaardigde verrijking, en dat bleek doorslaggevend. De rechtbank onderzocht elke betaling afzonderlijk en stelde vast dat een groot deel ervan een vermogensverschuiving zonder juridische oorzaak was: geen bijdrage in de normale kosten van de samenwoning en geen schenking. Voor de posten waarvan bleek dat ze uiteindelijk de eiseres zelf ten goede kwamen, onder meer door de inruil van een wagen, wees de rechtbank de vordering af. Het resultaat: 25.590 euro van de gevorderde 33.448,98 euro, met intresten, en de verweerder draagt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij de gerechtskosten.
Twee elementen uit dat vonnis zijn voor de praktijk belangrijk. Ten eerste hoeft wie zich op verrijking beroept, niet het absolute bewijs te leveren dat elke rechtsgrond ontbreekt. Brengt hij voldoende aanwijzingen aan die dat waarschijnlijk maken, dan kan de bewijslast verschuiven naar de verrijkte partij, die dan moet aantonen dat er wel een rechtsgrond was. De rechtbank steunde daarvoor op rechtspraak van het Hof van Cassatie. Ten tweede is het geen probleem om in één procedure in hoofdorde een lening in te roepen en ondergeschikt ongerechtvaardigde verrijking.
Sinds 1 januari 2023 staat de ongerechtvaardigde verrijking in het Burgerlijk Wetboek. Artikel 5.135 BW omschrijft ze als de situatie waarin iedere juridische rechtvaardiging ontbreekt voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming. Zo'n rechtvaardiging bestaat met name in de wil van de verarmde om een definitieve vermogensverschuiving tot stand te brengen, met andere woorden een schenking. Artikel 5.136 BW maakt de vordering uitdrukkelijk subsidiair: u kunt er zich niet op beroepen als een andere rechtsvordering voor u openstaat of op een rechtsbeletsel stuit, zoals de verjaring. En artikel 5.137 BW beperkt wat u terugkrijgt tot het laagste bedrag van de verrijking en de verarming, geraamd op het tijdstip van de vergoeding. Op de feiten in Dendermonde was de verrijking nog een ongeschreven rechtsbeginsel, maar de voorwaarden zijn in de kern dezelfde gebleven. Meer uitleg vindt u op onze pagina over ongerechtvaardigde verrijking.
Waar rechters op letten, is de context. Betaalde u de huur, de boodschappen en de energie terwijl u samenwoonde, dan zal een rechter dat in de regel als een bijdrage in de lasten van het samenleven zien, niet als een terugvorderbare verrijking. Betaalde u daarentegen een wagen die op naam van uw partner staat en die hij na de breuk meenam, dan ligt het anders. Hoe beter u kunt aantonen dat een betaling buiten het gewone huishoudelijke patroon viel, hoe groter uw kansen.
De schulden van uw partner afgelost: zaakwaarneming
Een tweede vangnet is de zaakwaarneming, en die kan in bepaalde situaties zelfs sterker staan dan de verrijking. In de zaak van het hof van beroep Gent had de vrouw in januari 2013 bij haar eigen bank een lening van 18.000 euro opgenomen, tegen een interestvoet van 9,71 %. Daarmee loste zij het openstaande saldo van 15.106,86 euro van de autolening van haar partner in één keer af, en daarnaast nog andere schulden van hem. Hij zat op dat moment in ernstige financiële problemen: aanmaningen, belastingschulden en een dreigend loonbeslag.
De rechtbank van eerste aanleg had haar vordering afgewezen. Het hof hervormde dat vonnis. Een lening was niet bewezen, maar zij had volgens het hof "noodgedwongen" de zaak van haar partner waargenomen. Twee punten sprongen eruit. Dat de man van de betaling op de hoogte was, stond de zaakwaarneming niet in de weg; een voorafgaande opdracht van hem bleek niet. En de noodzaak van de tussenkomst was aangetoond, onder meer doordat de man zelf op de zitting zijn financiële problemen en het dreigende beslag bevestigde. Hij voerde ook niet aan dat de betaling een bijdrage in de lasten van de samenwoning was. Het hof veroordeelde hem tot terugbetaling van 15.106,86 euro, met de wettelijke interest vanaf 21 januari 2013, en tot de gedingkosten van beide aanleggen. De eiseres had eerst de interestvoet van haar eigen lening gevraagd, maar beperkte die ter zitting tot de wettelijke interest. Lees de analyse geld geleend voor ex-partner terugvorderen via zaakwaarneming.
Het hof paste nog de oude artikelen over zaakwaarneming uit het oud Burgerlijk Wetboek toe. Vandaag omschrijft artikel 5.128 BW zaakwaarneming als de situatie waarin iemand, zonder daartoe verplicht te zijn, op vrijwillige en nuttige wijze andermans zaak waarneemt zonder dat verzet van de meester van die zaak redelijk voorzienbaar is. Keurt de meester de waarneming goed, dan worden die vereisten als vervuld beschouwd. Volgens artikel 5.132 BW moet de meester de zaakwaarnemer vergoeden voor alle nuttige of noodzakelijke uitgaven, indien hem geen onvoorzichtigheid kan worden toegerekend. En belangrijk voor de berekening: de bedragen die de zaakwaarnemer heeft voorgeschoten, brengen interest op vanaf de dag van de betaling.
Dat laatste maakt het verschil met de verrijking. Bij verrijking krijgt u het laagste bedrag van verrijking en verarming; bij zaakwaarneming worden uw nuttige of noodzakelijke uitgaven vergoed, met interest vanaf de betaling. Omdat de verrijking subsidiair is, loont het om eerst na te gaan of zaakwaarneming mogelijk is. De rechter zal wel concreet willen zien dat uw tussenkomst noodzakelijk of nuttig was. Bewaar dus de aanmaningen, brieven van schuldeisers of aankondigingen van beslag die de toestand van uw partner op dat moment tonen. Zie ook onze pagina over zaakwaarneming.
Samen een krediet, alleen afbetaald: wat u van uw ex kunt terugvragen
Heel wat koppels sluiten samen een krediet af, voor een wagen, een verbouwing of gewoon een reserve op de rekening. Na een breuk blijft vaak één van beiden alleen afbetalen, omdat de bank anders aanmaant of omdat hij zijn kredietwaardigheid wil beschermen. Kan hij daarna een deel terugvragen?
Het vredegerecht van het kanton Roeselare antwoordde op 25 juni 2019 bevestigend, maar met een belangrijke beperking. Twee feitelijke partners hadden in 2011 samen een krediet van 2.500 euro afgesloten; de relatie eindigde in 2014 en de man betaalde het krediet daarna alleen af. Hij vorderde in hoofdorde de helft van het saldo dat op de kredietrekening stond op het moment van de breuk, 1.272,79 euro. De vrederechter wees dat af en kende enkel de helft toe van wat hij bewees alleen te hebben betaald: de helft van 2.262,94 euro, of 1.131,47 euro. Daarbovenop kwamen de gerechtelijke interest aan de wettelijke rentevoet vanaf de dagvaarding en de kosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 480 euro. De ex-partner voerde aan dat het krediet eerst voor huishoudelijke uitgaven was gebruikt en later voor privé-uitgaven van de man, maar dat leidde in deze zaak niet tot een andere verdeling. Er was geen afwijkend contractueel beding en geen samenwoningsovereenkomst, dus verdeelde de vrederechter in gelijke delen. Lees de analyse gezamenlijke lening terugvorderen na relatiebreuk.
Juridisch speelt er een onderscheid tussen twee verhoudingen. Tegenover de bank zijn medeontleners vaak hoofdelijk gehouden. Artikel 5.160 BW omschrijft hoofdelijkheid als de situatie waarin schuldenaars gehouden zijn tot dezelfde prestatie en de schuldeiser ieder van hen voor het geheel kan aanspreken. Passieve hoofdelijkheid ontstaat uit de wet of uit een contract en wordt niet vermoed, behalve tussen ondernemingen die tot eenzelfde contractuele verbintenis gehouden zijn: daar bestaat ze van rechtswege. Volgens artikel 5.161 BW kan de bank naar eigen keuze iedere hoofdelijke schuldenaar voor het geheel aanspreken. Een afspraak tussen de ex-partners over wie verder afbetaalt, bindt de bank dus niet.
Tussen de ex-partners onderling wordt de schuld wel verdeeld. Artikel 5.164, § 1 BW bepaalt dat die verdeling in gelijke delen gebeurt, tenzij een wettelijke of contractuele bepaling of, bij gebrek daaraan, de concrete omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen. Betreft de hoofdelijke schuld een zaak die slechts een van de medeschuldenaars aangaat, dan moet die de hele schuld dragen ten aanzien van de anderen. Paragraaf 2 geeft wie meer dan zijn aandeel betaalde, een verhaalsrecht naar evenredigheid tot ieders aandeel. Daarnaast treedt wie zo een schuld voldoet in bepaalde gevallen van rechtswege in de rechten van de bank (wettelijke subrogatie, artikel 5.220, 1° BW).
Een belangrijke nuance over de tijd: het krediet in Roeselare dateerde van 2011, en het vonnis werd gewezen onder het oud Burgerlijk Wetboek. Volgens de overgangsregeling blijven voor rechtshandelingen van vóór 1 januari 2023 in principe de vorige regels van toepassing, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Voor een krediet dat u vóór die datum samen afsloot, zal de rechter dus in de regel het oude recht toepassen. De uitkomst, verdeling in gelijke delen tenzij u een andere verdeling aantoont, ligt in dezelfde lijn. Wie gehuwd of wettelijk samenwonend is, valt voor een deel onder andere regels; zie daarvoor schulden bij echtscheiding verdelen en de gevolgen van wettelijk samenwonen.
Een geldlening wordt niet terugbetaald: wat kunt u opeisen?
Staat de lening wel vast, dan rijst een andere vraag: kunt u bij wanbetaling meteen alles terugvragen, of enkel de achterstallige afbetalingen? Het antwoord hangt af van wat er in uw overeenkomst staat, en rechters zijn daar strikt in.
De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, besliste op 30 september 2025 over twee particuliere leningen van samen 18.500 euro, bedoeld voor de aankoop van een bestelwagen en de start van een zaak. De terugbetaling was gespreid in maandelijkse termijnen. Toen de ontlener niet meer betaalde, vorderde de uitlener in hoofdorde de ontbinding van de leningen en het volledige openstaande saldo van 12.200 euro. De rechtbank wees dat af. Volgens haar is een geldlening een eenzijdige overeenkomst: na de overhandiging van het geld heeft alleen de ontlener nog verbintenissen. De ontbinding wegens wanprestatie is een sanctie voor wederkerige contracten en is hier niet van toepassing. De rechtbank verwees daarvoor naar artikel 1184 oud BW en, voor contracten vanaf 2023, naar artikel 5.90 BW, dat de ontbinding uitdrukkelijk koppelt aan het wederkerige contract.
Wat de uitlener wel kreeg, was de ondergeschikte vordering: de vervallen en onbetaalde termijnen op het moment van de dagvaarding (6.800 euro), vermeerderd met de termijnen die tijdens de procedure vervielen (1.200 euro), samen 8.000 euro. De toekomstige termijnen blijven gewoon lopen volgens het oorspronkelijke afbetalingsplan. De ontlener vroeg om af te lossen aan 50 euro per maand; de rechtbank vond dat onredelijk gezien de omvang van de schuld en wees het verzoek af. De rechtsplegingsvergoeding werd beperkt tot het minimum, omdat de hoofdvordering werd afgewezen en de ontlener de ondergeschikte vordering grotendeels niet betwistte. Lees de analyse geldlening niet terugbetaald: enkel vervallen termijnen.
De les voor wie geld uitleent: neem een vervalbeding op. Zo'n beding bepaalt dat bij niet-betaling van een of meer termijnen het volledige saldo onmiddellijk opeisbaar wordt. Zonder zo'n beding verliest de ontlener het voordeel van de termijn enkel in de wettelijke gevallen. Artikel 5.155 BW somt die op: als hij failliet gaat, als hij door eigen fout de beloofde zekerheid niet verstrekt of de zekerheden vermindert, en in de overige gevallen bepaald door de wet. Een gewone betalingsachterstand staat daar niet bij. Ook een vervalbeding moet wel op een normale manier worden ingeroepen; wie zijn recht kennelijk misbruikt, riskeert dat de rechter het matigt (artikel 1.10 BW).
Voor de ontlener bevestigt het vonnis twee dingen. Een wanbetaling maakt zonder vervalbeding niet automatisch de hele schuld opeisbaar. Maar een verzoek om betalingsfaciliteiten is geen recht. Artikel 5.201 BW laat de rechter toe gematigd uitstel te verlenen, rekening houdend met de toestand van de partijen, maar vraagt hem die bevoegdheid "met grote omzichtigheid" te gebruiken. Een voorstel dat de terugbetaling over vele jaren uitsmeert, haalt het in de regel niet. Voor leningen van vóór 1 januari 2023 gold een vergelijkbare regel in het oud Burgerlijk Wetboek. De verbruiklening zelf staat in artikel 1892 oud BW, dat haar omschrijft als een contract waarbij de ene partij zaken die door het gebruik tenietgaan aan de andere afgeeft, onder de verplichting evenveel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven.
Schadebedingen en interesten tegenover consumenten
Een groot deel van de invorderingszaken voor de vrederechter gaat over kleinere facturen van ondernemingen aan particulieren. Daar ligt de discussie zelden bij de hoofdsom en veel vaker bij wat erbovenop komt: forfaitaire schadevergoedingen, nalatigheidsintresten en aanmaningskosten uit de algemene voorwaarden.
Het vredegerecht van het kanton Oudenaarde gaf op 5 januari 2026 een duidelijk voorbeeld. Een onderneming vorderde 955,43 euro van een consument voor onbetaalde facturen, interesten en een verhoging, plus een forfaitaire schadevergoeding en nalatigheidsintresten op basis van haar algemene voorwaarden. De consument betwistte niets, maar vroeg om in maandelijkse schijven van 300 euro te mogen afbetalen. De vrederechter toetste de algemene voorwaarden ambtshalve en stelde vast dat het schadebeding niet wederkerig was: het legde een sanctie op aan de consument bij wanbetaling, zonder een gelijkwaardige vergoeding voor de consument als de onderneming zelf in gebreke bleef. Het beding werd onrechtmatig en nietig verklaard. De consument werd veroordeeld tot 942,03 euro met gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet; de forfaitaire schadevergoeding en de nalatigheidsintrest werden afgewezen. Het afbetalingsplan werd toegestaan en de rechtsplegingsvergoeding werd beperkt tot het minimum. Lees de analyse vrederechter schrapt eenzijdig schadebeding.
De wettelijke basis is artikel VI.83, 17° van het Wetboek van economisch recht (WER). Dat artikel noemt in overeenkomsten tussen een onderneming en een consument in elk geval onrechtmatig het beding dat het bedrag vastlegt van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft. Artikel VI.84, § 1 WER bepaalt de sanctie: elk onrechtmatig beding is verboden en nietig, en de overeenkomst blijft voor het overige bindend als ze zonder dat beding kan voortbestaan.
Het meest leerrijke punt is wat er na de nietigheid gebeurt. Vroeger kenden sommige rechters na de vernietiging van een schadebeding toch een "redelijke" vergoeding toe op basis van het gemeen recht. De vrederechter verwees naar het arrest C-625/21 van het Hof van Justitie: als een beding onrechtmatig is, kan de onderneming geen vervangende schadevergoeding krijgen op basis van het gemeen recht. Het beding valt volledig weg. Dat is een wezenlijk verschil met een schadebeding tussen particulieren of tussen ondernemingen. Daar kan de rechter een kennelijk onredelijk schadebeding matigen, maar niet lager dan een redelijk bedrag, en een bedongen verwijlinterest niet lager dan de wettelijke interest (artikel 5.88, §§ 2 en 3 BW).
Wat een onderneming een consument vandaag nog mag aanrekenen
Sinds 1 september 2023 geldt bovendien boek XIX van het WER over schulden van consumenten. Artikel XIX.2 WER bepaalt dat een schadebeding pas mag worden toegepast na een eerste herinnering en na het verstrijken van een termijn van ten minste veertien kalenderdagen, die ingaat op de derde werkdag na de verzending (of op de dag na een elektronische verzending). Die eerste herinnering bij niet-betaling van één vervaldatum moet kosteloos zijn. Artikel XIX.4 WER legt daarnaast maxima vast voor de forfaitaire vergoeding: 20 euro voor een saldo tot 150 euro; 30 euro plus 10 % op de schijf tussen 150,01 en 500 euro; en 65 euro plus 5 % op de schijf boven 500 euro, met een maximum van 2.000 euro. De verwijlinterest mag niet hoger liggen dan de referentie-interestvoet vermeerderd met acht procentpunten. Een schadebeding met andere bedragen is verboden en wordt voor niet geschreven gehouden. Wilt u een invordering tegen een particulier voorbereiden of een aanmaning nakijken, dan helpt onze tool factuur invorderen u op weg; als consument vindt u meer uitleg op onterechte incasso en ongeldige algemene voorwaarden.
Welke rechter is bevoegd: vrederechter, rechtbank van eerste aanleg of ondernemingsrechtbank?
Een procedure bij de verkeerde rechter kost tijd en geld. De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 5.000 euro niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt (artikel 590 Ger.W.). Daarboven is in burgerlijke zaken de rechtbank van eerste aanleg bevoegd. Geschillen tussen ondernemingen horen in beginsel bij de ondernemingsrechtbank. Artikel 573 Ger.W. bepaalt dat die kennisneemt van geschillen tussen ondernemingen die, wat natuurlijke personen betreft, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd is aan de onderneming. Een particulier die een onderneming aanspreekt, mag onder dezelfde voorwaarden ook naar de ondernemingsrechtbank stappen.
Voor wie als natuurlijke persoon een zelfstandige activiteit heeft, is de grens tussen consument en onderneming dunner dan u denkt. Artikel I.1, 1°, (a) WER noemt iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent een onderneming. De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, besliste op 13 januari 2026 over een vrouw met een ondernemingsnummer die een nieuwe wagen had gekocht en de dealer dagvaardde omdat bestelde opties ontbraken. Haar btw-nummer stond op de koopovereenkomst, en de algemene voorwaarden bepaalden dat een voertuig geacht werd voor beroepsdoeleinden te zijn gekocht als de rubriek over het gebruik niet was ingevuld en de koper een btw-nummer had. Zij had die rubriek opengelaten. De rechtbank oordeelde dat de aankoop niet kennelijk vreemd was aan haar onderneming, verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar de ondernemingsrechtbank, zonder over de grond van de zaak te oordelen. Lees de analyse wagen gekocht met btw-nummer: ondernemingsrechtbank bevoegd.
Wie de bevoegdheid van de rechter wil betwisten, moet dat vroeg doen. Artikel 854 Ger.W. bepaalt dat de onbevoegdheid moet worden voorgedragen vóór alle exceptie of verweer, behalve wanneer zij van openbare orde is. Wordt de bevoegdheid betwist en vraagt de eiser geen verwijzing naar de arrondissementsrechtbank, dan beslist de rechter zelf over zijn bevoegdheid (artikel 639 Ger.W.). Dat de ondernemingsrechtbank bevoegd is, betekent overigens niet automatisch dat het consumentenrecht niet speelt: welke materiële regels gelden, beoordeelt de bevoegde rechter ten gronde. Meer over de procedure vindt u op procederen voor de ondernemingsrechtbank en bevoegdheid van de vrederechter.
Contractbreuk: ingebrekestelling, ontbinding en schadevergoeding
Buiten de geldleningen draait veel rechtspraak over gewone contractbreuk: een aannemer die niet afwerkt, een leverancier die te laat of niet conform levert, een klant die niet betaalt. Het nieuwe verbintenissenrecht zet de sancties netjes op een rij. Artikel 5.83 BW noemt de uitvoering in natura, het herstel van de schade, de ontbinding, de prijsvermindering en de opschorting van de eigen verbintenis. Onverenigbare sancties kunnen niet worden gecumuleerd.
Aan de meeste van die sancties moet een ingebrekestelling voorafgaan. Artikel 5.231 BW omschrijft die als de eenzijdige rechtshandeling waarbij de schuldeiser duidelijk en ondubbelzinnig kennis geeft van zijn wil om de nakoming te eisen. De wet, het contract of de goede trouw kunnen bovendien vereisen dat u de schuldenaar een termijn geeft. Artikel 5.233 BW somt de gevallen op waarin een ingebrekestelling geen nut meer heeft, bijvoorbeeld wanneer de uitvoering onmogelijk is geworden of de schuldenaar laat weten dat hij niet zal uitvoeren. In de praktijk is een goed opgestelde aangetekende ingebrekestelling zelden overbodig: ze doet ook de moratoire interest lopen. Artikel 5.240 BW bepaalt dat het herstel wegens vertraging in de betaling van een geldschuld in beginsel bestaat in de interest aan de wettelijke interestvoet, verschuldigd vanaf de dag van de ingebrekestelling, tenzij de wet of het contract ze van rechtswege doet lopen. Met onze wettelijke-interestcalculator rekent u uit wat dat concreet oplevert.
De ontbinding is het zwaarste middel. Artikel 5.90 BW laat een wederkerig contract ontbinden wanneer de niet-nakoming voldoende ernstig is of wanneer de partijen zijn overeengekomen dat die de ontbinding rechtvaardigt. De ontbinding kan volgen uit een rechterlijke beslissing, uit een ontbindend beding of uit een kennisgeving van de schuldeiser. Dat laatste staat sinds 2023 uitdrukkelijk in de wet, maar wie zo eenzijdig ontbindt, draagt het risico dat een rechter achteraf oordeelt dat de tekortkoming niet ernstig genoeg was. Zoals de zaak uit Hasselt toont, kan de ontbinding bovendien afstuiten op een contract dat de rechter als eenzijdig beschouwt, zoals een geldlening. Meer uitleg vindt u op een contract ontbinden, overmacht en imprevisie.
Oud of nieuw Burgerlijk Wetboek: welk wettelijk kader geldt voor uw zaak?
Wie rechtspraak over verbintenissen leest, ziet twee reeksen artikelnummers door elkaar lopen. Dat is geen slordigheid: het verbintenissenrecht werd grondig vernieuwd, en welke regels gelden hangt af van de datum van uw afspraak.
Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, over verbintenissen, trad in werking op 1 januari 2023. De overgangsregeling staat in artikel 64 van de wet van 28 april 2022. Boek 5 is van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die na de inwerkingtreding hebben plaatsgevonden. Tenzij partijen anders zijn overeengekomen, blijven de vorige regels van toepassing op de toekomstige gevolgen van rechtshandelingen en rechtsfeiten van vóór die datum, en op latere rechtshandelingen die betrekking hebben op een verbintenis die vóór die datum is ontstaan. Een lening of krediet van vóór 2023 blijft dus in de regel onder het oude recht vallen, ook als de wanbetaling pas later begint.
Voor het bewijs geldt een andere datum. Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, met de regel van het ondertekend geschrift vanaf 3.500 euro, is in werking sinds 1 november 2020. In de zaak uit Dendermonde maakte de rechtbank dat onderscheid uitdrukkelijk: het oude bewijsrecht voor leningen tot 31 oktober 2020, boek 8 voor leningen vanaf 1 november 2020. Wie een oude lening moet bewijzen, kijkt dus eerst naar de datum waarop de lening werd aangegaan.
De kernbepalingen die in de besproken rechtspraak telkens terugkomen, zijn deze:
- Bewijs: artikel 8.4 BW (bewijslast), artikel 8.9 BW (ondertekend geschrift vanaf 3.500 euro), artikelen 8.12 en 8.13 BW (uitzonderingen) en artikel 8.11 BW (bewijs tegen ondernemingen).
- Oneigenlijke contracten: artikelen 5.128 en 5.132 BW (zaakwaarneming) en artikelen 5.135 tot 5.137 BW (ongerechtvaardigde verrijking).
- Meerdere schuldenaars: artikelen 5.160, 5.161 en 5.164 BW (hoofdelijkheid en verdeling onderling).
- Nakoming en sancties: artikel 5.90 BW (ontbinding), artikel 5.155 BW (verval van de termijn), artikel 5.201 BW (respijttermijn), artikel 5.231 BW (ingebrekestelling), artikel 5.240 BW (moratoire interest) en artikel 5.88 BW (schadebeding).
- Consumenten: artikelen VI.83, 17° en VI.84 WER (onrechtmatige bedingen) en artikelen XIX.2 en XIX.4 WER (eerste herinnering en maximale schadebedingen).
- Procedure: artikelen 573 en 590 Ger.W. (bevoegdheid), artikel 1017 Ger.W. (kosten) en artikel 1022 Ger.W. (rechtsplegingsvergoeding).
Een algemene inleiding in dit rechtsdomein vindt u op onze pagina over verbintenissen.
De termijnen op een rij
In verbintenissenrecht zijn termijnen vaak doorslaggevender dan de grond van de zaak. Een vordering die verjaard is, komt niet meer terug, ook niet via een omweg: artikel 5.136 BW sluit de verrijkingsvordering uitdrukkelijk uit wanneer die op de verjaring stuit. Deze termijnen komen het vaakst terug:
| Wat |
Termijn |
Vertrekpunt en bijzonderheden |
Wettelijke basis |
| Terugbetaling van een lening, regres tegen een medeschuldenaar, verrijking of zaakwaarneming (persoonlijke vorderingen) |
10 jaar |
In de regel vanaf het ogenblik dat de vordering opeisbaar wordt |
Artikel 2262bis, § 1 oud BW |
| Interesten van geleende sommen en alles wat betaalbaar is per jaar of kortere termijn |
5 jaar |
Per vervaldag |
Artikel 2277 oud BW |
| Stuiting van de verjaring door een aangetekende ingebrekestelling van een advocaat of gerechtsdeurwaarder |
Nieuwe termijn van 1 jaar |
Eenmalig; de vordering verjaart niet vóór de oorspronkelijke termijn; strikte vermeldingen verplicht; enkel tegenover een schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België |
Artikel 2244, § 2 oud BW |
| Eerste herinnering aan een consument vóór een schadebeding mag worden toegepast |
Minstens 14 kalenderdagen |
Vanaf de derde werkdag na verzending (elektronisch: de dag na verzending); de eerste herinnering is kosteloos |
Artikel XIX.2 WER |
| Exceptie van onbevoegdheid |
Vóór alle andere exceptie of verweer |
Behalve wanneer de onbevoegdheid van openbare orde is |
Artikel 854 Ger.W. |
| Verzet tegen een verstekvonnis |
In de regel 1 maand |
Vanaf de betekening of, in bepaalde procedures, de kennisgeving bij gerechtsbrief; onder voorbehoud van afwijkende termijnen |
Artikel 1048 Ger.W. |
| Hoger beroep |
In de regel 1 maand |
Vanaf de betekening of, in bepaalde procedures, de kennisgeving bij gerechtsbrief; onder voorbehoud van afwijkende termijnen; niet mogelijk bij een vonnis in laatste aanleg |
Artikel 1051 Ger.W. |
| Vonnis in laatste aanleg (geen hoger beroep) |
Vordering tot 2.000 euro (vrederechter) of tot 2.500 euro (rechtbank van eerste aanleg en ondernemingsrechtbank) |
Het bedrag van de vordering telt |
Artikel 617 Ger.W. |
| Cassatieberoep |
In de regel 3 maanden |
Vanaf de betekening of, in bepaalde procedures, de kennisgeving bij gerechtsbrief; behoudens een kortere wettelijke termijn |
Artikel 1073 Ger.W. |
Heeft een partij in België geen woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats, dan kunnen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie worden verlengd. Twijfelt u over de verjaring van uw vordering, gebruik dan onze verjaringscalculator; voor de rechtsmiddelen tegen een vonnis is er de beroepstermijn-calculator. Meer achtergrond vindt u op verjaring van een vordering en stuiting van de verjaring.
Wat kunt u doen na een vonnis?
Een vonnis is zelden het echte einde van een geldgeschil. Het is het moment waarop de ene partij moet betalen en de andere moet invorderen, en waarop beiden moeten beslissen of ze het erbij laten. Wat u kunt doen, hangt af van hoe het vonnis tot stand kwam en van het bedrag.
U was niet aanwezig: verzet
Werd u veroordeeld zonder dat u verscheen, dan is dat een verstekvonnis. U kunt daartegen in de regel verzet aantekenen binnen een maand na de betekening door de gerechtsdeurwaarder of, in bepaalde procedures, na de kennisgeving bij gerechtsbrief door de griffie (artikel 1048 Ger.W.). De zaak wordt dan opnieuw behandeld door dezelfde rechter, en u kunt uw verweer alsnog voeren: dat er geen lening was, dat het schadebeding onrechtmatig is, dat u al betaalde. Verzet van de versteklatende partij schorst in beginsel de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, tenzij de rechter anders besliste (artikel 1397 Ger.W.). Zie ook verzet tegen een verstekvonnis.
U bent het oneens met de beslissing: hoger beroep
Was u wel aanwezig, dan kunt u in de regel binnen een maand na de betekening (of de kennisgeving bij gerechtsbrief) hoger beroep instellen (artikel 1051 Ger.W.). Bij kleine bedragen kan dat niet: de vrederechter oordeelt in laatste aanleg over vorderingen tot 2.000 euro, de rechtbank van eerste aanleg en de ondernemingsrechtbank over vorderingen tot 2.500 euro (artikel 617 Ger.W.). Hoger beroep loont wanneer de eerste rechter een rechtsgrond over het hoofd zag. De zaak voor het hof van beroep Gent is daar een schoolvoorbeeld van: de rechtbank van eerste aanleg had de vordering volledig afgewezen, het hof kende ze op grond van zaakwaarneming volledig toe. Let wel: eindvonnissen zijn in beginsel uitvoerbaar bij voorraad, ook als er hoger beroep loopt (artikel 1397 Ger.W.). Wie hoger beroep instelt, moet dus mogelijk intussen al betalen. Meer daarover op hoger beroep in burgerlijke zaken.
Een schending van het recht: cassatie
Tegen een beslissing in laatste aanleg of in hoger beroep kunt u enkel nog cassatieberoep instellen, in de regel binnen drie maanden na de betekening (of de kennisgeving bij gerechtsbrief); de wet kan een kortere termijn bepalen (artikel 1073 Ger.W.). Het Hof van Cassatie oordeelt niet opnieuw over de feiten, alleen over de juiste toepassing van het recht, en het verzoekschrift moet worden ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie (artikel 1080 Ger.W.). Zie cassatieberoep.
U kreeg gelijk: het vonnis uitvoeren
Betaalt de tegenpartij niet vrijwillig, dan laat u het vonnis betekenen door een gerechtsdeurwaarder en kan die overgaan tot beslag. Op het toegekende bedrag loopt in de regel de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet tot de volledige betaling, zoals in de vonnissen uit Roeselare en Oudenaarde. Bereken het openstaande bedrag met de wettelijke-interestcalculator voordat u de tegenpartij of de deurwaarder aanschrijft. De rechtsplegingsvergoeding die de rechter toekende, berekent of controleert u met de rechtsplegingsvergoeding-calculator. Een vonnis kunt u in de regel tien jaar lang uitvoeren (artikel 2262bis, § 1 oud BW). Meer over de uitvoering leest u op gedwongen uitvoering van een vonnis.
U werd veroordeeld en kunt niet in één keer betalen
Het beste moment om uitstel te vragen is tijdens de procedure, met een realistisch voorstel. De vrederechter in Oudenaarde stond een afbetalingsplan toe; de rechtbank in Hasselt weigerde een voorstel van 50 euro per maand op een schuld van 8.000 euro. Ligt het vonnis er al, neem dan snel contact op met de schuldeiser of de gerechtsdeurwaarder om een afbetalingsregeling af te spreken. Een deel van uw inkomen is beschermd tegen beslag; lees daarover beslagvrij inkomen. Lopen de schulden u boven het hoofd, dan is een collectieve schuldenregeling een piste die u met een advocaat kunt bespreken.
Voorbeeld: Lotte uit Gent, 6.000 euro voor de wagen van haar ex
Dit voorbeeld is verzonnen en dient enkel ter illustratie. Het is niet gebaseerd op een gepubliceerde of bestaande zaak.
Lotte woont sinds 2022 feitelijk samen met haar partner in Gent. In maart 2024 schrijft zij 6.000 euro over naar zijn rekening, met als mededeling "auto". Hij koopt er een tweedehandswagen mee die op zijn naam wordt ingeschreven. Een paar dagen later stuurt hij haar een WhatsApp-bericht: "Merci schat, ik betaal je die 6.000 terug tegen de zomer van volgend jaar." In maart 2025 stort hij 500 euro terug. In het najaar van 2025 loopt de relatie af. Hij houdt de wagen en zegt dat het geld een geschenk was.
Lotte laat haar advocaat een aangetekende ingebrekestelling sturen voor de resterende 5.500 euro. Er komt geen reactie. Omdat het bedrag boven de 5.000 euro ligt, gaat de dagvaarding naar de rechtbank van eerste aanleg en niet naar de vrederechter (artikel 590 Ger.W.). In hoofdorde vordert zij de terugbetaling van een lening, ondergeschikt de vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
Omdat de lening meer dan 3.500 euro bedraagt en dateert van na 1 november 2020, moet Lotte die in beginsel bewijzen met een ondertekend geschrift (artikel 8.9 BW). Dat heeft zij niet. Maar het WhatsApp-bericht gaat uit van haar ex-partner zelf en maakt een terugbetalingsverbintenis waarschijnlijk. De rechtbank aanvaardt het als begin van bewijs door geschrift (artikel 8.1, 7° BW) en vult het aan met de overschrijving en de gedeeltelijke terugbetaling van 500 euro als feitelijke vermoedens (artikel 8.13 BW). De lening is bewezen. De afgesproken termijn, de zomer van 2025, is verstreken, dus het volledige saldo is opeisbaar.
De rechtbank veroordeelt de ex-partner tot betaling van 5.500 euro, vermeerderd met de moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de ingebrekestelling tot de volledige betaling (artikel 5.240 BW), en tot de gerechtskosten, met een rechtsplegingsvergoeding. De ondergeschikte vordering op grond van verrijking hoeft de rechtbank niet meer te onderzoeken. Had Lotte dat WhatsApp-bericht niet gehad, dan had zij op die ondergeschikte vordering moeten terugvallen, en dan had zij moeten aantonen dat de betaling geen bijdrage in de gezamenlijke kosten en geen schenking was.
De les: bewaar berichten waarin de ander het over terugbetalen heeft, en stel uw vordering in met meer dan één rechtsgrond.
Voorbeeld: Ruben uit Leuven, een factuur van 400 euro met een schadebeding van 15 %
Dit voorbeeld is verzonnen en dient enkel ter illustratie. Het is niet gebaseerd op een gepubliceerde of bestaande zaak.
Ruben laat in januari 2026 zijn verwarmingsketel herstellen door een installateur. De factuur bedraagt 400 euro. Omdat de ketel een week later opnieuw uitvalt, betaalt hij niet. De installateur komt terug, lost het probleem op, maar stuurt intussen een eerste herinnering waarop al 15 euro "herinneringskosten" staat. Een maand later volgt een dagvaarding voor de vrederechter: 400 euro hoofdsom, een forfaitaire schadevergoeding van 15 % met een minimum van 75 euro en 12 % verwijlinterest per jaar, zoals de algemene voorwaarden bepalen, plus de 15 euro herinneringskosten.
Ruben erkent op de zitting dat het herstel uiteindelijk correct is uitgevoerd en betwist de hoofdsom niet meer. Hij betwist wel alles wat erbovenop komt. Hij wijst erop dat de algemene voorwaarden geen enkele vergoeding voorzien voor de klant als de installateur zelf in gebreke blijft, en dat een eerste herinnering kosteloos moet zijn.
De vrederechter volgt hem. Het schadebeding is niet wederkerig en dus onrechtmatig en nietig (artikelen VI.83, 17° en VI.84, § 1 WER). De installateur krijgt ook geen vervangende vergoeding op basis van het gemeen recht. De rechter merkt bovendien op dat het beding sowieso te hoog lag: voor een saldo van 400 euro mag een forfaitaire vergoeding niet hoger zijn dan 30 euro plus 10 % op de schijf boven 150 euro, of 55 euro (artikel XIX.4 WER), terwijl het beding een minimum van 75 euro oplegde. De 15 euro herinneringskosten zijn niet verschuldigd, omdat de eerste herinnering kosteloos moet zijn (artikel XIX.2 WER). Ruben wordt veroordeeld tot 400 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de dagvaarding; de bedongen verwijlinterest van 12 % valt samen met het beding weg. Omdat beide partijen op een punt in het ongelijk zijn gesteld, laat de vrederechter ieder zijn eigen kosten dragen (artikel 1017 Ger.W.). Ruben vraagt om in vier maandelijkse schijven van 100 euro te mogen betalen, en de rechter staat dat toe (artikel 5.201 BW).
De les: ook als u de hoofdsom verschuldigd bent, loont het om te verschijnen. Wat erbovenop wordt gevorderd, is lang niet altijd verschuldigd.
Wat als u de kosten van een procedure niet kunt dragen?
Geldgeschillen treffen vaak mensen die het financieel al moeilijk hebben: wie een ex-partner moet aanspreken om geld terug te krijgen, of wie een dagvaarding krijgt voor een schuld die hij niet kan betalen. De kostprijs van een advocaat mag geen reden zijn om uw rechten niet te verdedigen.
Met een laag inkomen hebt u mogelijk recht op juridische tweedelijnsbijstand, beter bekend als pro deo. Een advocaat wordt dan volledig of gedeeltelijk kosteloos voor u aangesteld door het bureau voor juridische bijstand. De inkomensgrenzen worden jaarlijks op 1 september geïndexeerd en hangen af van uw gezinssituatie en het aantal personen ten laste. Met onze pro-deo-checker gaat u in enkele minuten na of u in aanmerking komt; de volledige uitleg over de aanvraag vindt u op een pro-deo-advocaat aanvragen.
Pro deo heeft ook een gevolg als u de zaak verliest. Artikel 1022 Ger.W. bepaalt dat wanneer de in het ongelijk gestelde partij tweedelijnsbijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding wordt vastgelegd op het minimum, tenzij in een kennelijk onredelijke situatie. Het risico van een procedure wordt daardoor beperkter.
Controleer daarnaast uw polissen. Sommige verzekeringen bevatten een rechtsbijstandsluik, maar de dekking verschilt sterk: ga na of contractuele geschillen of invorderingen gedekt zijn en of er een minimumbedrag geldt. Met de rechtsbijstandsverzekering-checker ziet u snel of u gedekt bent; meer uitleg vindt u op dekking van de rechtsbijstandsverzekering.
Verwante onderwerpen
Tot slot
Of u nu geld terugvraagt of zich verdedigt tegen een vordering, de rechtspraak toont hetzelfde patroon: wie zijn afspraken en betalingen kan bewijzen en zijn vordering op de juiste rechtsgronden bouwt, maakt de meeste kans. Leg vandaag uw overschrijvingen, berichten en de overeenkomst of algemene voorwaarden naast elkaar, kijk na of de verjaring nog niet dreigt en laat een advocaat inschatten welke rechtsgrond het sterkst staat.
LawBase heeft 6 kantoren verspreid over Vlaanderen: Brugge (hoofdkantoor), Antwerpen, Gent, Leuven, Sint-Niklaas en Tongeren. Een videocall van 30 minuten met een advocaat kost € 60,50 incl. btw; een consultatie op kantoor van 60 minuten kost € 90,75 incl. btw.