
Ondernemingsrechtbank onbevoegd bij niet-ondernemer als verweerder
Dit vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende, behandelt een geschil dat voortvloeit uit een mislukte overeenkomst voor de onderverhuring en potentiële overname van een handelszaak. Volgens de eiseres besloot een BV, die een café huurde, eind december 2020 dat café aan haar onder te verhuren met een optie tot overdracht van de handelszaak; de eiseres betaalde naar eigen zeggen € 13.000 als "voorschot als waarborg". De overeenkomst was onduidelijk, waarbij de termen huur, waarborg en overnameprijs door elkaar werden gebruikt. De eiseres vordert de terugbetaling van het voorschot, omdat de overdracht van de handelszaak onmogelijk werd doordat de hoofdverhuurder (een brouwerij) geen toestemming gaf voor de onderverhuring. De verwerende partijen – de BV die het café huurde en twee natuurlijke personen – betwisten dit en stellen dat de eiseres zelf verantwoordelijk is. Zij dienden een tegenvordering in van € 24.584,60 voor beweerde schade. De rechtbank gaat niet in op de grond van de zaak, maar onderzoekt ambtshalve haar eigen materiële bevoegdheid. Volgens artikel 573 Ger.W. is de Ondernemingsrechtbank bevoegd voor geschillen tussen ondernemingen. Een eiser die geen onderneming is, kan een onderneming voor de ondernemingsrechtbank dagen; volgens de rechtbank moeten dan wel alle verweerders de hoedanigheid van onderneming hebben. In dit geval zijn twee van de drie verweerders natuurlijke personen die niet in de KBO zijn ingeschreven. Omdat niet aan deze voorwaarde is voldaan, acht de Ondernemingsrechtbank zich niet bevoegd. Aangezien de verweerders geen exceptie van onbevoegdheid opwierpen, wordt de zaak verwezen naar de Arrondissementsrechtbank, die de bevoegde rechter zal aanduiden. De kosten worden aangehouden.
