
Verblijfsregeling niet nageleefd: dwangsom in kort geding
Dit vonnis in kortgeding van de Nederlandstalige familierechtbank te Gent behandelt een vordering van een vader tot naleving van een verblijfsregeling voor zijn minderjarige dochter. De ouders, die een lange historiek van juridische procedures kennen, hebben een gelijkmatig verdeelde week-weekregeling die werd vastgelegd in een arrest van het Hof van Beroep te Gent. De zaak escaleerde toen de moeder, na een middagmaal, de dochter niet terug naar school of naar de vader bracht, stellende dat het kind een crisis doormaakte. Ze ondersteunde dit met een doktersattest en audiovisuele opnames en schrijfsels van het kind. De vader vorderde in kortgeding de strikte naleving van het arrest van het Hof van Beroep, gekoppeld aan een dwangsom. Hij argumenteerde dat de moeder eenzijdig de gerechtelijke beslissing schond en vroeg de rechtbank om de door de moeder aangebrachte bewijsstukken (opnames en schrijfsels) te weren wegens onrechtmatigheid en een gebrek aan bewijswaarde. De moeder verweerde zich door te stellen dat ze handelde in het belang van het kind, met wie het volgens haar al geruime tijd niet goed ging. Ze vroeg de opschorting van de verblijfsregeling bij de vader en voerde aan dat de door haar voorgelegde stukken de noodzaak hiervan aantoonden. De kortgedingrechter oordeelde dat hij niet bevoegd was voor vorderingen ten gronde, zoals de ondergeschikte vordering om de verblijfsregeling om te zetten naar een weekendregeling of het bevelen van een maatschappelijk onderzoek. Wat de bewijsstukken betreft, wees de rechter de wering af, maar relativeerde de bewijswaarde ervan. De opnames geven volgens de rechtbank slechts een fragmentarisch en selectief beeld, en de schrijfsels moeten met de nodige omzichtigheid worden benaderd. Ze volstaan niet om emotionele schade of een trauma vast te stellen; daarvoor is een onderzoek door een deskundige nodig. De rechter stelde vast dat de moeder de verblijfsregeling effectief niet had nageleefd en dat de aangevoerde bewijzen (inclusief een recent verslag van een crisisteam) onvoldoende aantoonden dat het verblijf bij de vader schadelijk was. De problematiek leek eerder te liggen in het aanslepende conflict tussen de ouders zelf. Bijgevolg werd de vordering van de vader in grote mate toegewezen en de tegenvordering tot opschorting afgewezen. De rechtbank zei voor recht dat het arrest van het Hof van Beroep strikt moet worden nageleefd, op straffe van een dwangsom die zij ex aequo et bono matigde. De moeder werd als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de gedingkosten.
