Het vonnis van de vrederechter ligt al een tijd in uw kast. De buren moesten hun bomen snoeien, of u moest dat zelf doen, op straffe van een dwangsom per dag. Of er viel een bevel tot betalen in de bus, met een afrekening die volgens u niet klopt. Misschien besliste de algemene vergadering van uw appartementsgebouw over werken die u niet ziet zitten, of betaalde u een factuur en eist de schuldeiser nu opnieuw zijn geld omdat het bedrag op een frauduleuze rekening belandde. Het gemeenschappelijke punt: er is een beslissing, of er komt er een, en u wilt weten hoe een rechter er in de praktijk naar kijkt.
Op deze pagina bundelen we wat Belgische, en vooral Vlaamse, rechters beslissen in burgerlijke zaken die niet thuishoren bij het huurrecht, het familierecht of het klassieke contractenrecht: burenhinder en dwangsommen, de uitvoering van vonnissen, beslag en gedwongen verkoop, bewijs, bevrijdende betaling, appartementsrecht en de wraking van een rechter. Elke bewering over een uitspraak is gestaafd met een gepubliceerde analyse op lawbase.be. Voor geschillen over contracten en schadevergoeding verwijzen we naar de themapagina rechtspraak verbintenissenrecht; voor woninghuur en huurachterstallen naar rechtspraak huurrecht.
Eén waarschuwing vooraf. Een vonnis is een beslissing over één dossier, met eigen feiten en eigen stukken. Het vertelt u hoe een rechter redeneert, niet hoe uw zaak zal aflopen. Lees de voorbeelden dus als een kaart van het terrein, niet als een belofte.
Burenhinder en snoeien: wat legt de vrederechter op?
Overhangende takken, een haag die jaar na jaar hoger wordt, bomen die de tuin van de buren in de schaduw zetten: het zijn de klassiekers op de rol van het vredegerecht. De vrederechter is ongeacht het bedrag bevoegd voor geschillen over bovenmatige burenhinder en over de verplichtingen tussen eigenaars van aan elkaar grenzende erven (artikel 591, 2°ter en 3°, Ger.W.).
Het wettelijke kader staat sinds 1 september 2021 in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 3.101 BW bepaalt dat naburige eigenaars het evenwicht tussen hun erven moeten eerbiedigen door elkaar geen hinder op te leggen die de normale ongemakken van het nabuurschap overtreft en aan de veroorzaker toerekenbaar is. De rechter houdt daarbij rekening met alle omstandigheden, zoals het tijdstip, de frequentie en de intensiteit van de hinder. Stelt hij bovenmatige hinder vast, dan kiest hij de passende maatregel: een vergoeding in geld, een vergoeding voor compenserende maatregelen op uw eigen erf, of een bevel om de hinder terug te brengen tot een normaal niveau, voor zover dat zelf geen nieuw onevenwicht schept.
Voor beplantingen gelden daarnaast eigen regels. Bomen van minstens twee meter hoog moeten in beginsel twee meter van de perceelsgrens staan, andere bomen, struiken en hagen een halve meter (artikel 3.133 BW). De nabuur kan de snoeiing of rooiing eisen van wat dichter staat, tenzij de rechter oordeelt dat dit rechtsmisbruik uitmaakt. De afstandsregel geldt niet als er een contract is, als de beplanting al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staat of als ze tot de openbare wegen of wateren behoort, en de nabuur kan zich niet verzetten tegen beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Voor takken en wortels die over de grens groeien, geeft artikel 3.134 BW u twee pistes: u kunt eisen dat de eigenaar ze wegsnijdt, of u mag ze zelf wegsnijden als de eigenaar dat niet doet binnen zestig dagen na een aangetekende ingebrekestelling. In dat laatste geval draagt u wel zelf het risico voor schade aan de beplanting. Het recht om de verwijdering te eisen, verjaart niet.
In de praktijk wordt een snoeibevel geregeld gekoppeld aan een dwangsom per dag vertraging. De gepubliceerde rechtspraak toont drie vragen die na zo'n veroordeling kunnen opduiken, elk in een afzonderlijke uitspraak: de vraag om de dwangsom op te heffen (dwangsom wegens snoeiplicht niet opgeheven), de vraag om de uitvoering in hoger beroep te schorsen (uitvoerbaarheid bij voorraad schorsen in hoger beroep) en de betwisting van de ingevorderde dwangsommen voor de beslagrechter (dwangsom voor het snoeien van bomen beperkt). We bespreken ze in de volgende delen.
Wie de regels rond burenhinder zelf wil doornemen, vindt ze op onze pagina over burenhinder en over aansprakelijkheid voor schade tussen buren. Een vordering wegens bovenmatige burenhinder verjaart overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, oud BW: vijf jaar vanaf de dag na die waarop u kennis kreeg van de schade en van wie ervoor aansprakelijk is, en in elk geval twintig jaar na het feit dat de schade veroorzaakte (artikel 3.101, § 4, BW). Met de verjaring-calculator gaat u na of uw termijn nog loopt.
Een dwangsom opheffen of matigen: wanneer lukt dat?
Een dwangsom is geen schadevergoeding maar een drukkingsmiddel. De rechter kan op vordering van een partij de tegenpartij veroordelen tot betaling van een geldsom voor het geval zij de hoofdveroordeling niet uitvoert (artikel 1385bis Ger.W.). Een dwangsom kan niet worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom of voor de nakoming van arbeidsovereenkomsten, en ze kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarin ze is vastgesteld. De rechter kan bovendien bepalen dat de dwangsom pas na verloop van een zekere termijn kan worden verbeurd (artikel 1385bis, vierde lid, Ger.W.), en bij een dwangsom per tijdseenheid of per overtreding een bedrag vastleggen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd (artikel 1385ter Ger.W.). Eenmaal verbeurd, komt de dwangsom volledig toe aan de partij die de veroordeling verkreeg, die ze kan uitvoeren op basis van hetzelfde vonnis (artikel 1385quater Ger.W.).
Wie onder een dwangsom uit wil zonder het vonnis zelf aan te vechten, heeft één wettelijke uitweg: artikel 1385quinquies Ger.W. De rechter die de dwangsom oplegde, kan ze op vordering van de veroordeelde opheffen, de looptijd opschorten of de dwangsom verminderen, maar alleen bij een blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Een dwangsom die al verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de rechter niet meer opheffen of verminderen.
Een zelf veroorzaakte vertraging is geen onmogelijkheid
Het vredegerecht van het eerste kanton Brugge paste die regel op 5 november 2024 strikt toe (dwangsom wegens snoeiplicht niet opgeheven). De veroordeelde partij vroeg de opheffing of opschorting van de dwangsom omdat ze voor het snoeien een omgevingsvergunning nodig had. De vrederechter volgde haar niet: de noodzaak van een vergunning was voorzienbaar en zij had meer dan twee maanden gewacht om die aan te vragen. Het argument dat de snoei broedende vogels zou verstoren, verwierp hij als een argument dat pas achteraf werd aangevoerd, zonder concreet bewijs. De rechter woog ook het gedrag van de veroordeelde partij mee, die haar energie volgens hem in een voortgezet conflict met de buren had gestoken in plaats van in de uitvoering van het vonnis.
De les is praktisch. Wie tot een handeling wordt veroordeeld waarvoor een vergunning of een andere tussenkomst van een overheid nodig is, zet die stappen best onmiddellijk en houdt er schriftelijk spoor van bij. Pas dan kan een latere vertraging bij de overheid eventueel als tijdelijke onmogelijkheid gelden.
Uitgevoerd is uitgevoerd: de dwangsom stopt
Een uitspraak van de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 16 juni 2026 behandelde een andere vraag: wanneer stopt een dwangsom? (dwangsom voor het snoeien van bomen: 18.900 in plaats van meer dan 200.000 euro). Een vrederechter had een eigenaar van bomen veroordeeld tot snoeien, onder verbeurte van een dwangsom van 350 euro per dag. De buren vorderden op die basis een bedrag dat opliep tot meer dan 200.000 euro. De eigenaar van de bomen tekende verzet aan tegen de invordering en voerde aan dat de veroordeling was uitgevoerd met de snoeiwerken die na het verkrijgen van de vereiste omgevingsvergunning plaatsvonden.
De rechtbank stelde een gerechtsdeskundige aan. Op basis van diens verslag oordeelde zij dat de uitgevoerde snoei zo drastisch was als mogelijk, rekening houdend met de vergunning en met de gezondheid van de bomen. De uitvoering van een vonnis kan volgens de rechtbank niet verder gaan dan wat de stedenbouwkundige regels toelaten. Dwangsommen waren daarom alleen verschuldigd voor de periode van vertraging tot de uitvoering: 54 dagen, of 18.900 euro. De rechtbank steunde zich daarbij in belangrijke mate op het deskundigenadvies, al is een rechter nooit verplicht dat advies te volgen als het strijdig is met zijn overtuiging (artikel 962 Ger.W.).
Opvallend is het tweede deel van het vonnis. Door na de uitvoering van de werken onverminderd de volledige, steeds oplopende dwangsom te blijven eisen, gebruikten de buren volgens de rechtbank het drukkingsmiddel voor een ander doel dan waarvoor het bestaat. De rechtbank noemde het artikel niet uitdrukkelijk, maar haar redenering sluit aan bij het verbod op rechtsmisbruik van artikel 1.10 BW: wie zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen van een normale uitoefening door een voorzichtig en redelijk persoon overschrijdt, ziet dat recht gematigd, onverminderd schadevergoeding. De rechtbank kende de eigenaar van de bomen een principiële vergoeding van 500 euro toe en beperkte het bedrag omdat ook die niet aantoonde tijdig rekening te hebben gehouden met de klachten van de buren.
Bij welke rechter u terechtkunt
De rechtspraak over dwangsommen toont een onderscheid dat in de praktijk vaak fout loopt. Een vraag om de dwangsom op te heffen, te schorsen of te verminderen wegens onmogelijkheid richt u aan de rechter die de dwangsom oplegde, bijvoorbeeld de vrederechter. Een betwisting over de vraag of dwangsommen verbeurd zijn en hoeveel er concreet wordt ingevorderd, is een geschil over de uitvoering en hoort bij de beslagrechter (artikel 1395 Ger.W.). In de gepubliceerde rechtspraak verklaarde een rechtbank in hoger beroep zich zonder rechtsmacht voor een vraag om de looptijd van een dwangsom op te schorten. Voor de schuldeiser geldt bovendien een korte termijn: een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop ze verbeurd is (artikel 1385octies Ger.W.), dus wie dwangsommen wil innen, doet dat best tijdig. Meer over het opleggen en afdwingen van dwangsommen leest u op onze pagina over de dwangsom.
Hoger beroep schorst de uitvoering niet: wat betekent uitvoerbaarheid bij voorraad?
Veel mensen gaan ervan uit dat een vonnis "on hold" staat zolang er hoger beroep loopt. Voor zaken die sinds 1 november 2015 in eerste aanleg zijn ingeleid, klopt dat in de regel niet meer. Artikel 1397, eerste lid, Ger.W. bepaalt dat eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad zijn, niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling als de rechter die niet heeft bevolen, tenzij de wet een uitzondering maakt of de rechter bij een met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt. Voor verstekvonnissen geldt een andere regel: verzet of hoger beroep van de partij die verstek liet, schorst in beginsel wel de tenuitvoerlegging (artikel 1397, tweede lid, Ger.W.).
Wie in eerste aanleg verliest en hoger beroep instelt, kan de uitvoering bovendien nauwelijks laten stilleggen. Artikel 1402 Ger.W. verbiedt de rechters in hoger beroep op straffe van nietigheid de tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen, onverminderd artikel 1066, tweede lid, 6°, Ger.W. Die laatste bepaling voorziet in korte debatten wanneer wordt opgekomen tegen een beslissing waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging zonder borgstelling of kantonnement is toegestaan, of waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging uitdrukkelijk is toegestaan of geweigerd; de debatten blijven dan beperkt tot die bijzondere modaliteiten.
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, oordeelde op 26 juni 2024 in hoger beroep in een burenzaak over overhangende takken en een haag (uitvoerbaarheid bij voorraad schorsen in hoger beroep). De partij die hoger beroep had ingesteld, vroeg de opheffing, minstens de opschorting, van de uitvoerbaarheid bij voorraad. De rechtbank wees dat af: de vrederechter had gewoon de wettelijke hoofdregel laten spelen en niet uitdrukkelijk over de uitvoerbaarheid beslist. Er was dus geen afwijkende beslissing waartegen de weg van artikel 1066, tweede lid, 6°, openstond. De rechtbank oordeelde ook dat oudere cassatierechtspraak die een schorsing in bepaalde gevallen toeliet, na de wetswijzigingen niet langer van toepassing is. Ze merkte daarbij zelf op dat andere rechtscolleges die rechtspraak wel nog volgden. Over de vraag om de looptijd van de dwangsom op te schorten, zei ze volledigheidshalve dat ze daarover geen rechtsmacht had: die vraag hoort thuis bij de vrederechter die de dwangsom oplegde.
Wat betekent dat voor u? Wilt u vermijden dat een vonnis meteen wordt uitgevoerd, dan moet u dat al in eerste aanleg vragen, met concrete redenen. In hoger beroep is het meestal te laat. Wie een geldsom moet betalen en hoger beroep heeft ingesteld, kan wel het kantonnement inroepen: het bedrag in bewaring geven bij de Deposito- en Consignatiekas of een sekwester, na tussenkomst van de beslagrechter (artikelen 1403 en 1404 Ger.W.), of het in consignatie geven in handen van de optredende gerechtsdeurwaarder (artikel 1405 Ger.W.). Dat geldt niet voor schuldvorderingen tot levensonderhoud (artikel 1404, eerste lid, Ger.W.), en de rechter die over de zaak zelf oordeelde, kan het kantonnement uitsluiten als uitstel de schuldeiser ernstig nadeel zou berokkenen (artikel 1406 Ger.W.). Omgekeerd geschiedt de voorlopige tenuitvoerlegging op risico van de partij die daartoe last geeft (artikel 1398 Ger.W.): wordt het vonnis in hoger beroep hervormd, dan moet zij teruggeven wat ze te veel ontving. Meer over de procedure leest u op onze pagina over hoger beroep in burgerlijke zaken.
Beslag en gedwongen verkoop: wat mag de notaris?
Blijft betaling uit, dan kan de schuldeiser met een uitvoerbare titel beslag laten leggen. Uitvoerend beslag op roerend of onroerend goed mag alleen krachtens een uitvoerbare titel en voor vaststaande en zekere schulden (artikel 1494 Ger.W.). Een veroordelende beslissing kan pas worden uitgevoerd nadat ze aan de partij is betekend (artikel 1495 Ger.W.). Aan een uitvoerend beslag op roerend goed gaat een bevel aan de schuldenaar vooraf, minstens een dag voor het beslag (artikel 1499 Ger.W.); ook een uitvoerend beslag op onroerend goed begint met een bevel bij deurwaardersexploot (artikel 1564 Ger.W.).
Na een onroerend beslag vraagt de schuldeiser de rechter binnen een maand na de overschrijving van het beslag een notaris aan te stellen voor de verkoop (artikel 1580, eerste lid, Ger.W.). Die notaris mag bij afwezigheid of tegenwerking van de beslagene of de bewoner, op kosten van de beslagene en zo nodig met hulp van de openbare macht en een slotenmaker, toegang nemen tot het goed, met het oog op de naleving van de verkoopvoorwaarden of de bezichtiging door kandidaat-kopers (artikel 1580, derde lid, Ger.W.).
Maar wat als de schuldenaar de deur dichthoudt voor de deskundigen die een energieprestatiecertificaat, een asbestattest of een keuring van de elektrische installatie moeten opmaken? De beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, boog zich daar op 7 april 2026 over (gedwongen verkoop: notaris krijgt toegang voor EPC en asbest). De vordering was ingeleid als een zwarigheid bij de tenuitvoerlegging. Volgens de rechtbank moesten zwarigheden die na de aanstelling van de notaris rijzen (artikel 1623 Ger.W.) eerst bij de notaris worden ingediend, die er een proces-verbaal met advies over opmaakt; pas als hij geen gevolg geeft, kan men rechtstreeks naar de beslagrechter. Zo ingeleid, was de vordering onontvankelijk.
De rechtbank herkwalificeerde de vraag echter als een verzoek tot uitbreiding van de machtiging van de notaris op grond van artikel 1580 Ger.W. De standaardmachtiging dekt volgens haar geen toegang om de verkoopvoorwaarden op te maken, zoals het laten opstellen van attesten. Ze breidde de machtiging daarom uit: de notaris en de door hem aangestelde deskundigen mochten, desnoods met bijstand van de lokale politie, toegang nemen na kennisgeving aan de schuldenaar per aangetekend schrijven, met een termijn van minstens vijf kalenderdagen. De kosten van de deskundigen en de politiebijstand behoren tot de kosten van tenuitvoerlegging, ten laste van de boedel; de kosten van het verzoek zelf bleven ten laste van de verzoekers, zonder rechtsplegingsvergoeding.
Voor een schuldenaar is de boodschap duidelijk: de deur dichthouden, houdt een gedwongen verkoop hooguit even op. Wie een onroerend beslag ondergaat, kijkt beter snel naar de mogelijkheden die er wel zijn, zoals een verkoop uit de hand of een afbetalingsvoorstel. Meer daarover leest u op onze pagina's over onroerend beslag, de gedwongen uitvoering van een vonnis en het beslagvrije inkomen.
Verzet tegen een bevel tot betalen: wat toetst de beslagrechter?
Een bevel tot betalen is de laatste stap voor het beslag. Klopt het gevorderde bedrag niet, dan kunt u naar de beslagrechter. Alle vorderingen over bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging worden voor hem gebracht en behandeld zoals in kort geding (artikel 1395 Ger.W.). Bij zwarigheden bij de tenuitvoerlegging kan iedere belanghebbende zich tot de beslagrechter wenden, maar die vordering schorst de uitvoering niet (artikel 1498 Ger.W.). Wie verzet doet, moet dus niet verwachten dat de deurwaarder intussen stilzit.
Belangrijk is wat de beslagrechter wel en niet doet. De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, zette dat op 8 februari 2024 helder uiteen in een zaak over achterstallig onderhoudsgeld (verzet tegen een bevel tot betalen van onderhoudsgeld). Een vader had een bevel tot betalen laten betekenen op basis van een vonnis van de familierechtbank. De moeder betwistte de afrekening. De beslagrechter controleerde de uitvoering, niet de oorspronkelijke schuldvordering: hij kon de onderhoudsbijdrage of de omschrijving van de bijzondere kosten in het vonnis niet wijzigen, maar wel nagaan of de schuldeiser binnen de grenzen van zijn titel was gebleven en of er intussen was betaald.
Het resultaat: het onderhoudsgeld voor de startmaanden moest pro rata worden berekend, en een deel van de schoolkosten viel niet onder de strikte omschrijving van bijzondere kosten in het vonnis, omdat de vader niet aantoonde dat het om noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal ging. Het schooluniform en de boerderijklassen bleven wel verschuldigd. Omdat er effectief een achterstand bestond, was de uitvoering in principe terecht. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen en de moeder, als in het ongelijk gestelde partij, droeg de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1017 Ger.W.).
Daar zit een harde les in. Een verzet dat een foute afrekening rechtzet, kan u toch geld kosten als er wel degelijk een schuld was. Controleer dus eerst zelf de afrekening, betaal wat onbetwist verschuldigd is en betwist alleen wat u kunt staven. Voor de materie van het onderhoudsgeld zelf verwijzen we naar de themapagina rechtspraak familierecht en naar onze pagina over onbetaalde alimentatie. Wat een gerechtsdeurwaarder wel en niet mag, leest u op de pagina over uw rechten tegenover de deurwaarder.
Bewijs: wie moet wat aantonen?
Veel burgerlijke zaken worden niet beslist op het recht, maar op het bewijs. Artikel 8.4 BW legt de basisregel vast: wie meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen; wie beweert bevrijd te zijn, moet dat op zijn beurt bewijzen. Alle partijen moeten meewerken aan de bewijsvoering, en bij twijfel verliest in beginsel wie het bewijs moest leveren.
Een uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 3 oktober 2024 toont hoe dat in de praktijk uitpakt (factuur aan particulier bewijst geen huur, e-mail wel). Een autoverkoper vorderde 7.355,25 euro van een particulier voor het gebruik van vier wagens. De rechtbank kende uiteindelijk 342,70 euro toe. Een factuur volstond tegenover een particulier op zich niet als bewijs van een huurovereenkomst. Een voorgelegde overeenkomst verloor haar bewijskracht omdat de particulier zijn handtekening ontkende: volgens artikel 8.19 BW kan de partij tegen wie een onderhandse akte wordt ingeroepen, haar handtekening ontkennen, waarna de echtheid moet worden onderzocht volgens de artikelen 883 en volgende Ger.W. De verkoper vorderde geen schriftonderzoek.
Wat wel doorwoog, was een e-mail van de particulier zelf, waarin hij vroeg een factuur op te maken voor "de huur van de wagen zoals contractueel vastgelegd". De rechtbank zag daarin een erkenning van een huurovereenkomst voor die ene wagen. Een buitengerechtelijke bekentenis heeft dezelfde wettelijke bewijswaarde als een gerechtelijke (artikel 8.31 BW), maar ze reikt niet verder dan wat erin wordt erkend: voor de drie andere wagens bleef het bewijs uit.
Voor de ruimere vraag hoe contracten tot stand komen en worden bewezen, verwijzen we naar de themapagina rechtspraak verbintenissenrecht. Twee praktische raadgevingen uit dit vonnis: zet afspraken op papier voordat u presteert, en schrijf nooit een e-mail aan de tegenpartij zonder te beseffen dat die later als bewijs kan dienen. Ontvangt u een factuur die u betwist, protesteer dan tijdig en gemotiveerd; zie ook onze pagina over een factuur betwisten.
Betalen aan een fraudeur: is uw schuld dan voldaan?
Een e-mail met "nieuwe bankgegevens", een gehackt account, een betaling die nooit bij de echte schuldeiser aankomt. Wie draagt dan het verlies? Artikel 5.198 BW, uit boek 5 dat sinds 1 januari 2023 in werking is, bepaalt dat de betaling moet gebeuren aan de schuldeiser of aan iemand die door hem, door de rechter of door de wet gemachtigd is om voor hem te ontvangen. Een betaling aan iemand anders is maar bevrijdend als de schuldeiser ze bekrachtigt, als hij er voordeel uit haalde, of als ze te goeder trouw is gedaan aan een schijnschuldeiser.
De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, paste die regel op 3 juni 2026 toe op een online veilinghuis dat de verkoopopbrengst van een verkoper overmaakte op een rekeningnummer uit een frauduleuze e-mail (veilinghuis betaalt fraudeur: betaling niet bevrijdend). Het veilinghuis beriep zich op goede trouw, op de schijn van schuldeiser en op overmacht. De rechtbank volgde dat niet. De e-mail bevatte taalfouten en een betekenisloze zin, signalen die een normaal voorzichtig en vooruitziend online veilinghuis minstens tot een controle bij de verkoper hadden moeten aanzetten. Omdat het veilinghuis dat naliet, was het niet te goeder trouw en was de betaling niet bevrijdend. Het werd veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van 7.029,22 euro, vermeerderd met interesten en de gerechtskosten.
Voor bedrijven die betalingen uitvoeren, is dit vonnis een reden om een wijziging van bankgegevens altijd via een tweede, onafhankelijk kanaal te laten bevestigen. Het is wel één uitspraak: een betaling die echt te goeder trouw aan een schijnschuldeiser gebeurt, blijft volgens de wet bevrijdend. Voor wie zelf slachtoffer werd van phishing bij de eigen bank, gelden andere regels; zie onze pagina over phishing en terugbetaling door de bank. Heeft uw schuldenaar niet bevrijdend betaald en blijft hij in gebreke, dan berekent u de verschuldigde vertragingsinterest met de wettelijke-interestcalculator.
Appartement en VME: een beslissing van de algemene vergadering aanvechten
In een appartementsgebouw beslist de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars (VME) over werken en kosten. Voor sommige beslissingen is een bijzondere meerderheid nodig. Zo beslist de algemene vergadering met twee derde van de stemmen, en met een bijzondere motivering, over werken aan bepaalde privatieve delen die om economische of technische redenen door de VME worden uitgevoerd; zo'n beslissing wijzigt de verdeling van de kosten niet (artikel 3.88, § 1, 1°, d), BW).
Bent u het niet eens met een beslissing, dan kunt u de rechter vragen een onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing te vernietigen of te wijzigen als die u persoonlijk nadeel oplevert, binnen vier maanden vanaf de datum van de algemene vergadering (artikel 3.92, § 3, BW). U kunt de rechter ook vragen de wijze van verdeling van de lasten te wijzigen als die u persoonlijk nadeel berokkent (artikel 3.92, § 7, BW). De vrederechter is voor geschillen over de gedwongen mede-eigendom van gebouwen bevoegd ongeacht het bedrag (artikel 591, 2°bis, Ger.W.).
Het vredegerecht van het eerste kanton Brugge oordeelde op 25 juni 2019 over een gevelrenovatie waarbij ook de privatieve terrassen van de bovenverdiepingen werden aangepakt, met kosten verdeeld volgens de kavels (VME-beslissing renovatie privatief terras: geldig, kosten gedeeld). Omdat het vonnis dateert van vóór boek 3 BW, paste de vrederechter de toenmalige regeling van het oude Burgerlijk Wetboek toe; die regel staat vandaag in artikel 3.88 BW. De eigenaar van een gelijkvloers appartement vorderde de vernietiging van de beslissing of een individuele kostenverdeling. De vrederechter wees beide af: de werken waren om technische redenen nodig om het gebouw tegen vocht te beschermen. Hij woog ook mee dat de mede-eigenaar de beslissingen mee had goedgekeurd en de geplande werken kende bij zijn aankoop. De bijdragen van 11.069,46 euro bleven verschuldigd, maar de intresten en het schadebeding voor de periode van de betwisting werden afgewezen.
De termijn van vier maanden is de belangrijkste les. Wacht u tot de afrekening van de syndicus in de bus valt, dan is het vaak te laat om de beslissing zelf nog aan te vechten. Meer over het appartementsrecht leest u op onze pagina over mede-eigendom.
Een rechter wraken: strenge vormen, weinig ruimte
Wie meent dat een rechter niet onpartijdig is, kan hem wraken, onder meer wegens wettige verdenking (artikel 828, 1°, Ger.W.). De vormvereisten zijn streng. De wraking moet worden voorgedragen vóór de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen later zijn ontstaan, en bij een zaak die op verzoekschrift is ingeleid vóór er een beschikking is gegeven (artikel 833 Ger.W.). Ze wordt op straffe van nietigheid ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat en ondertekend is door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven (artikel 835 Ger.W.). Over de wraking wordt binnen acht dagen in laatste aanleg beslist; bij een kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond verzoek kan een geldboete van 15 tot 2.500 euro volgen (artikel 838 Ger.W.).
Het hof van beroep Gent, eerste kamer, verklaarde op 11 juni 2026 een wrakingsverzoek onontvankelijk omdat het via e-Deposit was neergelegd (rechter wraken via e-Deposit: verzoek onontvankelijk). Artikel 32ter Ger.W. laat elektronische neerlegging toe via het systeem dat de Koning aanwijst, en het uitvoeringsbesluit wijst e-Deposit volgens het hof niet aan voor een akte van wraking. Dat het verzoek zijn doel had bereikt, veranderde daar niets aan. Ten overvloede was het verzoek volgens het hof ook ongegrond: onenigheid met de inhoud van een beslissing is geen wrakingsgrond, daarvoor bestaat hoger beroep.
Wraking is dus geen alternatief rechtsmiddel. Wie het niet eens is met een beslissing, gebruikt de gewone rechtsmiddelen. Wie meent dat het woord werd geweigerd, laat daarvan best meteen akte nemen op het zittingsblad.
Het wettelijk kader op een rij
De uitspraken op deze pagina steunen op een beperkt aantal kernbepalingen. Ze zijn verspreid over het Burgerlijk Wetboek, dat sinds enkele jaren boek per boek wordt vernieuwd, en het Gerechtelijk Wetboek, dat de procedure regelt.
- Artikel 3.101 BW: bovenmatige burenhinder en de maatregelen die de rechter kan opleggen om het evenwicht tussen buren te herstellen.
- Artikel 3.134 BW: overhangende takken en wortels; wegsnijden na zestig dagen, of de eigenaar laten wegsnijden.
- Artikel 1385bis Ger.W.: de dwangsom als bijkomende veroordeling, niet voor geldsommen en niet verbeurd vóór betekening.
- Artikel 1385quinquies Ger.W.: opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom bij onmogelijkheid, door de rechter die ze oplegde.
- Artikel 1397 Ger.W.: eindvonnissen zijn in de regel uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep.
- Artikel 1402 Ger.W.: de appelrechter kan de tenuitvoerlegging niet verbieden of schorsen, onverminderd artikel 1066, tweede lid, 6°.
- Artikel 1395 Ger.W.: de beslagrechter is bevoegd voor alle vorderingen over beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging.
- Artikel 8.4 BW: de verdeling van de bewijslast.
- Artikel 5.198 BW: aan wie u moet betalen om bevrijd te zijn.
- Artikel 3.92 BW: de rechtsvorderingen van mede-eigenaars tegen beslissingen van de algemene vergadering.
Een kanttekening bij de overgang naar het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Het bewijsrecht van boek 8 geldt sinds 1 november 2020, het goederenrecht van boek 3 sinds 1 september 2021 en het verbintenissenrecht van boek 5 sinds 1 januari 2023. Welke regel op uw zaak van toepassing is, hangt af van het overgangsrecht van elk boek en dus van de datum van de feiten of het contract. Oudere vonnissen, zoals de VME-uitspraak van 2019, pasten terecht het oude Burgerlijk Wetboek toe. De verjaring van persoonlijke vorderingen staat nog altijd in artikel 2262bis oud BW: in de regel tien jaar, en voor vorderingen tot vergoeding van buitencontractuele schade vijf jaar vanaf de dag na de kennis van de schade en van de aansprakelijke, met een uiterste termijn van twintig jaar na het schadeverwekkende feit.
De termijnen in burgerlijke zaken op een rij
Wie een termijn mist, verliest vaak zijn recht, hoe sterk zijn zaak ook is. De tabel zet de belangrijkste termijnen uit deze pagina naast elkaar. Hij vervangt geen advies over uw dossier: voor sommige procedures bepaalt de wet een afwijkende termijn of sluit ze een rechtsmiddel uit, en een termijn kan langer zijn wanneer een partij geen woonplaats in België heeft (de artikelen 1048, 1051 en 1073 Ger.W. voorzien daarvoor in een verlenging).
| Wat |
Termijn |
Vertrekpunt |
Wettelijke basis |
| Verzet tegen een verstekvonnis in laatste aanleg |
één maand |
betekening of kennisgeving van het vonnis |
artikelen 1047 en 1048 Ger.W. |
| Hoger beroep |
één maand |
betekening of kennisgeving van het vonnis |
artikel 1051 Ger.W. |
| Cassatieberoep |
drie maanden |
betekening of kennisgeving van de beslissing |
artikel 1073 Ger.W. |
| Uitvoering van een geldsomveroordeling waartegen verzet of hoger beroep door een versteklatende partij openstaat |
niet vóór één maand, tenzij voorlopige tenuitvoerlegging is gelast |
betekening van de beslissing |
artikel 1495 Ger.W. |
| Bevel tot betalen vóór uitvoerend beslag op roerend goed |
minstens één dag vóór het beslag |
betekening van het bevel |
artikel 1499 Ger.W. |
| Verbeuren van een dwangsom |
niet vóór de betekening; de rechter kan een bijkomende termijn bepalen |
betekening van de uitspraak |
artikel 1385bis Ger.W. |
| Verjaring van een verbeurde dwangsom |
zes maanden |
dag waarop de dwangsom verbeurd is |
artikel 1385octies Ger.W. |
| Vernietiging of wijziging van een beslissing van de algemene vergadering van de VME |
vier maanden |
datum van de algemene vergadering |
artikel 3.92, § 3, BW |
| Zelf overhangende takken of wortels wegsnijden |
na zestig dagen zonder verwijdering door de eigenaar |
aangetekende ingebrekestelling |
artikel 3.134 BW |
| Vordering wegens bovenmatige burenhinder |
vijf jaar, uiterlijk twintig jaar |
dag na de kennis van schade en aansprakelijke, resp. dag na het schadeverwekkende feit |
artikel 3.101, § 4, BW en artikel 2262bis, § 1, oud BW |
| Wraking |
vóór de aanvang van de pleidooien (bij een zaak ingeleid op verzoekschrift: vóór de beschikking), tenzij de reden later ontstond |
verloop van de procedure |
artikel 833 Ger.W. |
Twijfelt u over de termijn voor hoger beroep in uw zaak, gebruik dan de beroepstermijn-calculator; voor verjaringstermijnen de verjaring-calculator.
Wat kunt u doen na een vonnis?
Welke weg openstaat, hangt af van hoe het vonnis tot stand kwam, van de rechter die het uitsprak en van wat u wilt bereiken. Een overzicht van de belangrijkste pistes.
Verzet, als u verstek liet
Verscheen u niet en werd u bij verstek veroordeeld, dan kunt u in de regel verzet doen tegen een verstekvonnis dat in laatste aanleg is gewezen (artikel 1047 Ger.W.), binnen een maand na de betekening (artikel 1048 Ger.W.). Is het verstekvonnis vatbaar voor hoger beroep, dan staat in de regel geen verzet open en moet u hoger beroep instellen. Meer daarover op onze pagina over verzet tegen een verstekvonnis.
Hoger beroep, binnen een maand
Tegen de meeste vonnissen kunt u binnen een maand na de betekening hoger beroep instellen (artikel 1051 Ger.W.). Niet elk vonnis is vatbaar voor hoger beroep: een vonnis van de vrederechter over een vordering die 2.000 euro niet overschrijdt, en een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg over een vordering tot 2.500 euro, zijn gewezen in laatste aanleg (artikel 617 Ger.W.; de Koning kan die bedragen aanpassen). Bij uitvoerend beslag op onroerend goed gelden bovendien bijzondere regels: tegen een verstekbeslissing staat geen verzet open, en beslissingen over zwarigheden omtrent de tenuitvoerlegging zijn niet vatbaar voor hoger beroep (artikel 1624 Ger.W.). Onthoud dat hoger beroep de uitvoering van een vonnis op tegenspraak in de regel niet schorst.
De dwangsom laten aanpassen
Kunt u een veroordeling onder dwangsom echt niet of niet tijdig uitvoeren, dan vraagt u de rechter die de dwangsom oplegde om ze op te heffen, op te schorten of te verminderen (artikel 1385quinquies Ger.W.). Doe dat zodra de onmogelijkheid zich voordoet; opheffen of verminderen kan de rechter alleen voor dwangsommen die verbeurd zijn nadat de onmogelijkheid intrad (artikel 1385quinquies, tweede lid, Ger.W.). Omgekeerd kan wie de dwangsom verkreeg, bij aanhoudende niet-uitvoering een bijkomende of hogere dwangsom vragen (artikel 1385quinquies, derde lid, Ger.W.).
Naar de beslagrechter bij problemen met de uitvoering
Klopt de afrekening in een bevel tot betalen niet, werd al betaald of vordert de schuldeiser dwangsommen die volgens u niet verbeurd zijn, dan stapt u naar de beslagrechter (artikelen 1395 en 1498 Ger.W.). Weet dat die procedure de uitvoering niet schorst en dat u de kosten kunt dragen als de uitvoering in principe terecht was.
Cassatie, alleen op rechtsvragen
Tegen een beslissing in laatste aanleg staat in de regel binnen drie maanden cassatieberoep open (artikel 1073 Ger.W., dat kortere wettelijke termijnen voorbehoudt). Het Hof van Cassatie oordeelt niet opnieuw over de feiten, en het verzoekschrift moet worden ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie (artikel 1080 Ger.W.). Zie onze pagina over de cassatieprocedure.
De kosten en de interesten
De in het ongelijk gestelde partij wordt in de regel in de kosten verwezen (artikel 1017 Ger.W.), waaronder de rechtsplegingsvergoeding, een forfaitaire tegemoetkoming in de advocatenkosten van de winnende partij (artikel 1022 Ger.W.). Met de rechtsplegingsvergoeding-calculator ziet u welk bedrag op het spel staat, en met de wettelijke-interestcalculator rekent u de interesten op een veroordeling uit. Meer over de kostenkant leest u op de pagina's rechtsplegingsvergoeding vorderen en gerechtskosten.
Voorbeeld: Lotte uit Gent, een dwangsom voor bomen waarvoor een vergunning nodig was
Dit voorbeeld is verzonnen en dient enkel ter illustratie; het is niet gebaseerd op een gepubliceerde of bestaande zaak.
Lotte heeft achteraan haar tuin een rij hoge populieren waarvan de takken ver over de perceelsgrens hangen. Haar buurman stapt naar de vrederechter. Die veroordeelt Lotte om de populieren binnen twee maanden na de betekening van het vonnis fors terug te snoeien, zodat er geen takken meer over de grens hangen, op straffe van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging, met een maximum van 10.000 euro. Het vonnis wordt op 3 maart betekend; de termijn van twee maanden verstrijkt dus begin mei.
Lotte laat een boomverzorger komen, die haar waarschuwt dat de gemeente voor deze ingreep een omgevingsvergunning vereist. Ze dient de aanvraag in binnen de week na het vonnis en stuurt de buurman een kopie. De gemeente beslist echter pas eind juni. Intussen is de termijn verstreken en loopt de dwangsom sinds begin mei. Lotte vraagt de vrederechter om de looptijd van de dwangsom op te schorten wegens tijdelijke onmogelijkheid (artikel 1385quinquies Ger.W.).
De vrederechter aanvaardt dat Lotte zonder vergunning niet mocht snoeien en dat zij alles had gedaan wat van haar kon worden verwacht: de aanvraag was onmiddellijk ingediend en goed gedocumenteerd. Omdat de onmogelijkheid al bestond voordat de dwangsom begon te lopen, staat de wet niet in de weg: artikel 1385quinquies, tweede lid, Ger.W. verbiedt alleen de opheffing of vermindering van dwangsommen die verbeurd waren voordat de onmogelijkheid intrad. De vrederechter heft de dwangsommen op die sinds het einde van de termijn verbeurd zijn, en schorst de looptijd tot twee weken na de beslissing van de gemeente. Was de onmogelijkheid pas later ontstaan, dan had hij de dwangsommen die daarvoor al verbeurd waren niet meer kunnen opheffen. Lotte laat de populieren half juli terugsnoeien, binnen de twee weken na de vergunning. Ze betaalt geen dwangsom.
Had Lotte, zoals in de zaak die het vredegerecht van Brugge in 2024 beoordeelde, meer dan twee maanden gewacht om de vergunning aan te vragen, dan was het verloop vermoedelijk anders geweest: een zelf veroorzaakte vertraging geldt niet als onmogelijkheid, en dan was de dwangsom voor elke dag vertraging verbeurd, tot half juli al ruim 7.000 euro.
Voorbeeld: Youssef uit Leuven, veroordeeld in eerste aanleg en toch al een deurwaarder aan de deur
Ook dit voorbeeld is verzonnen en enkel illustratief.
Youssef liet zijn badkamer renoveren en weigerde de laatste factuur te betalen omdat de tegels volgens hem slordig geplaatst waren. De aannemer dagvaardt hem voor de rechtbank van eerste aanleg. Youssef verschijnt en voert verweer, maar de rechtbank veroordeelt hem op tegenspraak tot betaling van 14.600 euro, vermeerderd met interesten en een rechtsplegingsvergoeding. Over de uitvoerbaarheid zegt het vonnis niets.
Youssef tekent binnen de maand na de betekening hoger beroep aan. Twee weken later betekent een gerechtsdeurwaarder hem een bevel tot betalen. Youssef begrijpt het niet: hij zit toch in hoger beroep? Zijn advocaat legt uit dat het vonnis van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is (artikel 1397 Ger.W.) en dat het hof van beroep die uitvoering niet kan schorsen (artikel 1402 Ger.W.). Ook de korte debatten van artikel 1066, tweede lid, 6°, bieden weinig uitzicht: de eerste rechter heeft niet uitdrukkelijk over de uitvoerbaarheid beslist, en in de gepubliceerde rechtspraak werd die weg in zo'n geval afgesloten.
Wel kan Youssef het kantonnement inroepen, omdat het om een geldsom gaat, hij hoger beroep heeft ingesteld en de eerste rechter het kantonnement niet heeft uitgesloten (artikelen 1404 en 1406 Ger.W.). Via de beslagrechter consigneert hij het volledige bedrag van hoofdsom, interesten en kosten. De aannemer heeft zo de zekerheid dat het geld er is, en Youssef vermijdt dat zijn loon of zijn wagen in beslag wordt genomen.
Anderhalf jaar later oordeelt het hof, op basis van een deskundigenverslag, dat een deel van de tegelwerken inderdaad opnieuw moet en vermindert de veroordeling tot 9.200 euro. Uit de geconsigneerde som wordt betaald wat het hof toekende; het saldo gaat terug naar Youssef. Had hij niet geconsigneerd maar gewoon betaald, dan had de aannemer het teveel moeten terugbetalen: de voorlopige tenuitvoerlegging geschiedt op risico van de partij die daartoe last geeft (artikel 1398 Ger.W.). Alleen had Youssef dan het risico gedragen dat de aannemer intussen insolvent werd.
Wat als u de kosten van een procedure niet kunt dragen?
Een geschil over bomen of een dwangsom kan snel duur worden: advocatenkosten, een gerechtsdeskundige, gerechtsdeurwaarderskosten en, als u verliest, de rechtsplegingsvergoeding van de tegenpartij. Wie over beperkte bestaansmiddelen beschikt, staat daar niet alleen voor.
Via het bureau voor juridische bijstand van de balie (artikel 508/7 Ger.W.) kunt u juridische tweedelijnsbijstand krijgen: een omstandig juridisch advies of bijstand in een procedure door een advocaat (artikel 508/1, 2°, Ger.W.), geheel of gedeeltelijk kosteloos voor wie over ontoereikende bestaansmiddelen beschikt (artikel 508/13 Ger.W.). Daarnaast kan de rechtsbijstand u geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de gerechtskosten, zoals griffierechten en de kosten van een gerechtsdeurwaarder, en u kosteloos een technisch adviseur bezorgen bij een deskundigenonderzoek (artikel 664 Ger.W.). Verliest u een procedure terwijl u juridische tweedelijnsbijstand geniet, dan wordt de rechtsplegingsvergoeding die u moet betalen in beginsel op het wettelijke minimum vastgelegd, tenzij in een kennelijk onredelijke situatie (artikel 1022 Ger.W.).
Of u in aanmerking komt, hangt af van uw inkomen en uw gezinssituatie. Met de pro-deo-checker gaat u dat in een paar minuten na. Meer uitleg vindt u op onze pagina over een pro-deoadvocaat aanvragen. Hebt u een rechtsbijstandsverzekering, bijvoorbeeld bij uw familiale of woningverzekering, kijk dan na of burengeschillen of uitvoeringsgeschillen gedekt zijn; zie de rechtsbijstandsverzekering-checker.
Verwante onderwerpen
Tot slot
In burgerlijke zaken wint zelden wie het hardst roept, wel wie zijn termijnen respecteert, zijn stukken bijhoudt en een vonnis correct uitvoert of laat uitvoeren. Hebt u een vonnis, een bevel tot betalen of een beslissing van uw VME ontvangen, noteer dan vandaag de datum van betekening of van de vergadering en laat binnen die termijn nagaan welke stap nog openstaat.
LawBase heeft 6 kantoren verspreid over Vlaanderen: Brugge (hoofdkantoor), Antwerpen, Gent, Leuven, Sint-Niklaas en Tongeren. Een videocall van 30 minuten met een advocaat kost € 60,50 incl. btw; een consultatie op kantoor van 60 minuten kost € 90,75 incl. btw.