
Veilinghuis betaalt fraudeur: betaling niet bevrijdend
Deze zaak betreft een geschil tussen een verkoper en een online veilingplatform over een niet-bevrijdende betaling als gevolg van fraude. De eiser had negen elektrische scooters verkocht via het platform van de verweerder. Na de veiling had de eiser recht op de verkoopopbrengst, verminderd met de veilingkosten. Het veilingplatform ontving echter een frauduleuze e-mail, schijnbaar afkomstig van het gehackte e-mailadres van de eiser, met de instructie om de opbrengst over te maken naar een onbekend rekeningnummer. Het veilingplatform voerde deze betaling uit. De eiser stelde nooit een dergelijke e-mail te hebben verstuurd en vorderde de betaling van het hem toekomende bedrag. Hij vroeg ook dat het platform de volledige e-mailketen met de fraudeur zou voorleggen. De verwerende partij, het veilingplatform, wierp op dat zij te goeder trouw had gehandeld. Zij beriep zich op de schijn van schuldeiser en op overmacht, en voerde aan dat de eiser al vóór de betaling wist dat zijn e-mailadres gehackt was. Zij vroeg ook dat de eiser een kopie van zijn strafklacht zou voorleggen. Verder probeerde het platform een deel van het geld te recupereren, wat gedeeltelijk lukte, en betaalde dit bedrag aan de eiser. Voor het resterende saldo weigerde het platform aansprakelijkheid. De rechtbank oordeelde in het voordeel van de eiser. De rechter stelde vast dat een betaling enkel bevrijdend is wanneer deze aan de schuldeiser zelf of een gemachtigde gebeurt. De rechtbank verwierp het verweer van de goede trouw. Volgens de rechter had een 'normaal voorzichtig en vooruitziend online veilinghuis' de frauduleuze aard van de e-mail moeten opmerken. De taalkundige fouten en de vreemde zinsconstructie ("Bedankt dat je wacht om je te lezen") waren dermate verdacht dat extra verificatie, zoals een contactopname met de eiser, vereist was. Door dit na te laten, handelde het veilingplatform onzorgvuldig. De rechtbank oordeelde dat de betaling niet bevrijdend was en veroordeelde het veilingplatform tot betaling van het resterende bedrag van 7.029,22 euro, vermeerderd met interesten en de gerechtskosten. De rechtbank paste artikel 5.198 van het Burgerlijk Wetboek (boek 5) toe; de datum van de overeenkomst is in de gepubliceerde versie weggelaten.