
Dwangsom snoeien bomen: 18.900 in plaats van 210.000 euro
Deze zaak betreft een geschil over de inning van dwangsommen die werden opgelegd in een eerder vonnis van de vrederechter. De eiseres, de boomeigenares, werd veroordeeld tot het snoeien van overhangende takken van een esdoorn en een zomereik, en het inkorten van een Leylandii-haag. Bij niet-naleving binnen de maand na betekening zou een dwangsom van 350 euro per dag verschuldigd zijn. De verwerende partijen, haar buren, lieten het vonnis betekenen en eisten na het verstrijken van de termijn een aanzienlijk bedrag aan verbeurde dwangsommen op, oplopend tot meer dan 200.000 euro. De boomeigenares tekende verzet aan tegen de inning van deze dwangsommen. Zij argumenteerde dat ze de hoofdveroordeling wel degelijk had uitgevoerd. De haag werd kort na de veroordeling gesnoeid. Voor de bomen was echter een omgevingsvergunning nodig, wat voor vertraging zorgde. Na het verkrijgen van de vergunning liet ze de snoeiwerken uitvoeren op 20 juli 2024. Ze stelde dat ze vanaf die datum had voldaan aan de veroordeling en er dus geen dwangsommen meer verschuldigd waren. Bovendien vorderde ze een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik door haar buren, die onredelijk hoge bedragen bleven vorderen ondanks de uitgevoerde werken. De buren stelden dat de snoeiwerken niet voldeden aan de veroordeling en dat de dwangsommen dus terecht verder liepen. Zij vroegen de afwijzing van het verzet. De rechtbank stelde een gerechtsdeskundige aan om de uitgevoerde snoeiwerken te beoordelen. Op basis van het deskundigenverslag oordeelde de rechtbank dat de boomeigenares op 20 juli 2024 had voldaan aan de essentie van de hoofdveroordeling. De snoei was zo drastisch als mogelijk, rekening houdend met de gezondheid van de bomen en de verkregen vergunning. Bijgevolg waren er enkel dwangsommen verschuldigd voor de periode van de vertraging, namelijk van 27 mei 2024 tot en met 20 juli 2024 (54 dagen), wat neerkomt op 18.900 euro. De rechtbank oordeelde tevens dat de buren rechtsmisbruik hadden gepleegd door onredelijk hoge dwangsommen te blijven eisen nadat de snoeiwerken waren uitgevoerd. De rechtbank kende aan de boomeigenares een principieel bedrag van 500 euro toe. Zij beperkte de vergoeding tot dat bedrag omdat ook de boomeigenares niet aantoonde dat zij tijdig rekening had gehouden met de klachten, en maande beide partijen aan tot een betere verstandhouding als buren.