
Schadebeding afgewezen bij gebrek aan bewijs van aanvaarde voorwaarden, maar hoofdelijkheid aanvaard via lastgeving
In deze burgerlijke zaak buigt het Vredegerecht van het vierde kanton Brugge zich over de invordering van onbetaalde facturen voor geleverde advocatenprestaties. De datum van de onderliggende feiten is niet vastgesteld in het vonnis; 29 september 2026 is uitsluitend de ingangsdatum van de intrest volgens het dictum. De eisende partij, een advocatenkantoor, vordert de hoofdelijke veroordeling van twee cliënten tot betaling van openstaande erelonen, vermeerderd met conventionele intresten en een schadebeding. De verwerende partijen laten verstek gaan en verschijnen niet op de zitting. Omdat het een verstekvonnis betreft, gaat de vrederechter na of de vorderingen niet strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die hij krachtens de wet ambtshalve kan toepassen (art. 806 Ger.W.); kennelijk ongegronde vorderingen kunnen volgens het vonnis evenmin worden toegekend. Bij dit onderzoek stelt de rechter vast dat de eisende partij geen ereloonovereenkomst kan voorleggen. Uit de voorgelegde stukken blijkt volgens de rechter niet dat de verwerende partijen voorafgaandelijk kennis hebben genomen van de algemene voorwaarden en deze hebben aanvaard. Bijgevolg wijst de rechter het gevorderde schadebeding af en kent hij enkel de wettelijke intrest toe op de hoofdsom, in plaats van de conventionele intrest. De rechter verwijst hierbij ook naar de niet-naleving van Boek XIX van het Wetboek van Economisch Recht. Wat betreft de gevorderde hoofdelijkheid (de mogelijkheid om elk van de gedaagden voor het volledige bedrag aan te spreken), stelt de rechter vast dat artikel 5.160 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat passieve hoofdelijkheid voortvloeit uit de wet of een contract, en niet wordt vermoed. Omdat geen overeenkomst wordt voorgelegd waaruit contractuele hoofdelijkheid blijkt, onderzoekt de rechter de wettelijke hoofdelijkheid uit lastgeving. De rechter past daarop artikel 2002 van het oud Burgerlijk Wetboek toe. Dit artikel stelt dat wanneer meerdere personen een lasthebber (zoals een advocaat) aanstellen voor een gemeenschappelijke zaak, zij hoofdelijk verbonden zijn voor alle gevolgen van die lastgeving. Op basis hiervan wordt de hoofdelijke veroordeling voor de hoofdsom wel toegekend. Tot slot oordeelt de rechter, met toepassing van artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek, dat een eventueel verzet of hoger beroep van de versteklatende partijen de tenuitvoerlegging van het vonnis niet zal schorsen, om te vermijden dat rechtsmiddelen louter als vertragingsmanoeuvre worden misbruikt. De vordering wordt aldus gedeeltelijk toegewezen.