Rechtspraak

    Geanonimiseerde vonnissen met juridische analyse. Ontdek relevante rechtspraak uit heel Vlaanderen.
    Google 4.9/5 (175) · Trustlocal 9.7/10 (178)050 67 32 06

    Op deze pagina vindt u een overzicht van geanonimiseerde vonnissen en arresten uit rechtbanken in heel Vlaanderen en Nederlandstalig Brussel. Elke uitspraak is voorzien van een juridische analyse door ervaren advocaten van LawBase, met aandacht voor de kernpunten, het toepasselijke recht en de praktische gevolgen. Gebruik de zoekfunctie en filters, of kies rechtstreeks een thema: rechtspraak over verkeersrecht, familierecht, huurrecht, erfrecht, strafrecht, verbintenissenrecht, handelsrecht of burgerlijk recht.

    Tag:

    10 resultaten gevonden

    Familierecht
    Tussenvonnis

    Verblijfsregeling kind, ouder verhuist naar buitenland: eerst bemiddeling

    Een vader verhuisde naar het buitenland, waarna de moeder via de blijvende saisine het exclusieve ouderlijk gezag en een volledig vrije omgangsregeling vroeg. De familierechtbank hield het gezag gezamenlijk omdat overleg tussen de ouders mogelijk bleef, ondanks de afstand. Na het gesprek met de oudste dochter vond de rechtbank twee weken zomerverblijf in het buitenland niet realistisch, maar een vrije regeling evenmin; ze bekrachtigde eerst een familiale bemiddeling en homologeerde het akkoord over het onderhoudsgeld.

    Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbankUitspraak: 13 januari 2025Gepubliceerd: 21 september 2026Mr. Peter-Jan De Meulenaere
    2 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Gedeeltelijk toegewezen

    Wettelijk samenwonenden uit elkaar: eigenaar krijgt woning, ex krijgt tijd

    Na de eenzijdige beëindiging van een wettelijke samenwoning bleven beide ex-partners in de villa wonen die uitsluitend eigendom is van de man. De familierechtbank oordeelde dat het eigendomsrecht doorslaggevend is en machtigde de man om er vanaf 1 augustus 2025 alleen te verblijven. De vrouw kreeg als financieel zwakkere partner tot en met 31 juli 2025 om te vertrekken, en de man mag de inboedel in afwachting van de vereffening-verdeling niet vervreemden.

    Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbankUitspraak: 10 juni 2025Gepubliceerd: 15 september 2026Mr. Peter-Jan De Meulenaere
    3 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Gedeeltelijk toegewezen

    Voorlopige schoolwissel geweigerd, verblijf vader uitgebreid

    Dit vonnis van de familie- en jeugdrechtbank te Brugge behandelt een tussentijds verzoek van een vader na de beëindiging van de wettelijke samenwoning. De ouders, die hun wettelijke samenwoning in 2025 beëindigden, hebben een dochter van 7 jaar. Hun voorlopige verblijfsregeling liep eind augustus 2026 af, terwijl de zaak ten gronde pas op een zitting in oktober 2026 behandeld wordt. De vader diende een verzoek in op basis van artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek om, vooruitlopend op de zitting ten gronde, een nieuwe voorlopige regeling te verkrijgen vanaf 1 september 2026. Hij vorderde een gelijkmatig verdeeld verblijf (week/week) en de machtiging om zijn dochter in te schrijven in een nieuwe school. De moeder verzette zich hiertegen. Ze argumenteerde dat het kind al bijna vijf jaar in haar huidige school zat en een verandering niet in haar belang zou zijn. Wel stelde de moeder een uitbreiding van het verblijf bij de vader voor naar een 10-4 dagenregeling. De rechtbank oordeelde eerst dat zij wel degelijk bevoegd is om voorlopige maatregelen te nemen. Volgens de rechter blijft de rechtbank die een voorlopige maatregel heeft opgelegd, op grond van artikel 19 Ger.W. zelf aanspreekbaar voor tussengeschillen over die maatregel. Vervolgens wees de rechtbank de vordering tot schoolwijziging af, omdat een voorlopige wissel, met de kans op een nieuwe verandering na de uitspraak ten gronde, niet in het belang van het kind is. Wat de verblijfsregeling betreft, wees de rechtbank de door de vader gevorderde week/week-regeling af. In plaats daarvan volgde ze het tegenvoorstel van de moeder en legde een voorlopige regeling op waarbij het kind om de veertien dagen van vrijdag tot dinsdag bij de vader verblijft. De definitieve beslissing over alle punten werd aangehouden.

    Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbankUitspraak: 23 juni 2026Gepubliceerd: 30 juni 2026Mr. Chanel Ribas Colomar
    60 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Onontvankelijk

    Geen hoger beroep tegen korte opschorting verblijf kind

    Dit arrest van het Hof van Beroep te Gent behandelt de ontvankelijkheid van een hoger beroep tegen een voorlopige maatregel van de familierechtbank. De zaak betreft een langdurig en conflictueus geschil tussen twee ouders, de vader en de moeder, over de verblijfsregeling van hun minderjarige dochter. Na een eerdere beslissing van het hof die een week-weekregeling instelde, startte de moeder een nieuwe procedure om deze regeling op te schorten, wegens vermeende weerstand van het kind. De vader vroeg die vordering af te wijzen, onder meer bij gebrek aan gewijzigde omstandigheden en omdat de toepassingsvoorwaarden van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek niet vervuld waren. Op de zitting van de familierechtbank besliste de eerste rechter, zoals geacteerd op het proces-verbaal, om het contact tussen de vader en de dochter voorlopig op te schorten. Deze opschorting was bedoeld voor een zeer korte periode van 19 dagen, tot de volgende zitting waarop de zaak verder ten gronde behandeld zou worden. De rechter beval tevens een maatschappelijk onderzoek en plande een verhoor van het kind. De vader stelde onmiddellijk hoger beroep in tegen deze beslissing, argumenterend dat de opschorting van het contactrecht een eindbeslissing was die onmiddellijk appellabel is, omdat deze voor het verleden onomkeerbaar is. De moeder wierp de onontvankelijkheid van het hoger beroep op. Zij stelde dat de beslissing van de eerste rechter een maatregel 'alvorens recht te doen' was, bedoeld om de toestand voorlopig te regelen in afwachting van verder onderzoek en een beslissing ten gronde. Volgens haar is een dergelijke voorlopige maatregel niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep. Het Hof van Beroep volgt de redenering van de moeder en verklaart het hoger beroep onontvankelijk. Het hof oordeelt dat de beslissing van de eerste rechter inderdaad een voorlopige maatregel is in de zin van artikel 19, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Hoewel een beslissing over de verblijfsregeling feitelijk onomkeerbaar is voor het verleden, zou het toelaten van hoger beroep tegen elke kortdurende voorlopige maatregel de werking van de familierechtbanken ondermijnen. De kernvraag is of de maatregel de toestand op duurzame of onomkeerbare wijze bestendigt. Gezien de zeer korte duur van de opschorting (19 dagen) en de duidelijke intentie van de eerste rechter om de zaak snel verder te behandelen, was er geen sprake van een eindbeslissing. Het hoger beroep is dus onontvankelijk en de vader wordt veroordeeld in de kosten.

    Hof van Beroep GentUitspraak: 29 juni 2026Gepubliceerd: 30 juni 2026Mr. Peter-Jan De Meulenaere
    43 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Vordering toegewezen

    EOT-vonnis: wat toetst de familierechtbank nog?

    Dit vonnis van de familie- en jeugdrechtbank te Antwerpen behandelt een vordering tot echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT), ingediend door twee echtgenoten. De zaak kenmerkt zich door het feit dat de partijen niet tegenover elkaar staan, maar gezamenlijk de rechtbank verzoeken om hun huwelijk te ontbinden op basis van een voorafgaand akkoord. De feiten zijn eenvoudig: de echtgenoten hebben op 10 april 2026 een gezamenlijk verzoekschrift neergelegd bij de griffie. Het vonnis vermeldt de door partijen voorgebrachte overeenkomsten en stukken, overeenkomstig de artikelen 1287, 1288 en 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek. Dergelijke overeenkomsten bevatten doorgaans een volledige regeling van de wederzijdse rechten en plichten, zowel op vermogensrechtelijk als op familiaal vlak. Beide partijen lieten zich bijstaan door dezelfde advocaat, wat de consensus tussen hen verder onderstreept. Als gezamenlijke verzoekers vragen zij samen de echtscheiding op basis van hun overeenkomsten. Er is geen sprake van een geschil dat de rechter moet beslechten. De rechter vervult in deze procedure een voornamelijk formele rol. De beslissing van de rechtbank is dan ook een bekrachtiging van de wil van de partijen. De rechter stelt vast dat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan: het verzoekschrift is correct ingediend en de vereiste overeenkomsten zijn voorgelegd. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, spreekt de rechtbank de echtscheiding tussen de echtgenoten uit. De juridische grondslag voor deze beslissing is primair te vinden in de artikelen 1287 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, die de procedure voor EOT regelen. Deze artikelen schrijven voor dat echtgenoten die in onderlinge toestemming willen scheiden, voorafgaandelijk een allesomvattende overeenkomst moeten sluiten over de gevolgen van hun echtscheiding. De rechtbank toetst enkel of aan de wettelijke voorwaarden naar vorm en inhoud is voldaan (art. 1297 en 1298 Ger. W.), zonder zich uit te spreken over de billijkheid van de door de partijen getroffen regeling. De overeenkomsten mogen wel enkel rechten regelen waarover de echtgenoten vrij kunnen beschikken (art. 1287 Ger. W.), en wanneer de persoonlijke verschijning van de echtgenoten wordt bevolen, kan de rechter bepalingen die kennelijk strijdig zijn met de belangen van minderjarige kinderen laten schrappen of wijzigen (art. 1290 Ger. W.).

    Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie familie- en jeugdrechtbankUitspraak: 19 mei 2026Gepubliceerd: 16 juni 2026Mr. Chanel Ribas Colomar
    68 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Vordering toegewezen

    Reistoestemming kind: rechter machtigt moeder ondanks weigering

    In deze zaak, behandeld in kort geding door de Familie- en Jeugdrechtbank te Dendermonde, vordert een moeder de machtiging om met haar minderjarige zoon naar het buitenland te reizen. De vader weigert hiervoor zijn toestemming te geven. De reis is gepland van 7 tot en met 23 februari 2026, met als doel het bijwonen van een herdenkingsplechtigheid voor de overleden vader van de moeder. De rechtbank corrigeerde zelf de door de moeder gevorderde data op basis van de voorgelegde vliegtuigtickets. Dit biedt volgens de moeder een unieke kans voor het kind om zijn familie van moederskant te leren kennen. De moeder (eiseres) argumenteert dat de reis een uitzonderlijk en tijdelijk karakter heeft. Om de vrees voor niet-terugkeer te weerleggen, legt ze bewijzen voor van haar stabiele situatie in België, waaronder een arbeidsovereenkomst en een eigendomsbewijs. Ze benadrukt dat het centrum van de belangen van haar zoon in België ligt, waar hij naar school gaat. Bovendien stelt ze dat er een praktisch opvangprobleem zou ontstaan als het kind niet mee op reis kan, omdat de vader volgens haar niet in staat is om de hele periode voor het kind te zorgen. De vader (verweerder) verzet zich tegen de reis. Hij voert aan dat er te veel risico's aan verbonden zijn, zoals de lange reisduur, het onveilige verkeer in het land van bestemming en de aard van de herdenkingsceremonie. Hij betwijfelt of de moeder voldoende toezicht kan houden en voert een reëel risico van niet-terugkeer aan. Het Openbaar Ministerie adviseert negatief, omdat het kind schoolplichtig is en een week school zou missen. De rechtbank beslist in het voordeel van de moeder. De vordering wordt hoogdringend en gegrond verklaard. De rechter oordeelt dat de moeder voldoende heeft aangetoond dat ze de intentie heeft om terug te keren naar België. De door de vader aangehaalde risico's worden als onbewezen of als algemene, niet-onoverkomelijke reisrisico's beschouwd. De vrees voor onvoldoende toezicht wordt weerlegd doordat de moeder op bezoek gaat bij haar familie en haar partner meereist. Het argument van de schoolplicht weegt voor de rechter niet door: het missen van één week kleuterschool weegt niet op tegen het belang van het kind om zijn familie te leren kennen. De rechtbank oordeelt bovendien dat niet duidelijk is of de vader het kind voor een langere periode kan opvangen, machtigt de moeder om met het kind te reizen, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en verdeelt de gerechtskosten tussen de partijen, zonder een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.

    Familie- en jeugdrechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling DendermondeUitspraak: 5 februari 2026Gepubliceerd: 13 februari 2026Mr. Chanel Ribas Colomar
    203 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Vordering afgewezen

    Onderhoudsgeld bij leefloon en collectieve schuldenregeling

    Dit arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen behandelt een geschil over de hoogte van de onderhoudsbijdrage voor een minderjarige zoon. De moeder tekende hoger beroep aan tegen een vonnis van de familie- en jeugdrechtbank, dat de door de vader te betalen onderhoudsbijdrage had verlaagd van 500 euro (vastgesteld bij een verstekvonnis in 2017) naar 200 euro per maand, met ingang van 21 november 2022. De vader, die in een collectieve schuldenregeling zit, had met succes een herziening gevraagd. De moeder (appellante) vorderde in beroep een all-in onderhoudsbijdrage van 500 euro per maand. Zij ontvangt een uitkering en heeft een netto-inkomen van circa 1.980 euro, aangevuld met een sociale toeslag uit het Groeipakket. De vader (geïntimeerde) ontvangt een leefloon van 1.298 euro per maand. Hij is al lange tijd niet meer betrokken bij het leven van zijn zoon. Het hof oordeelde dat het hoger beroep van de moeder ongegrond was. De kern van de beslissing ligt in de berekening van de draagkracht van beide ouders. Het hof stelde expliciet dat de collectieve schuldenregeling van de vader niet in rekening wordt gebracht bij het bepalen van zijn draagkracht voor kinderalimentatie, omdat de kinderen voorrang hebben op de aflossing van de andere schulden. Na een gedetailleerde berekening, waarbij rekening werd gehouden met de respectievelijke inkomens, de kosten van het kind (geschat op 576 euro/maand) en het Groeipakket, kwam het hof tot de conclusie dat de theoretische bijdrage van de vader 176 euro per maand zou moeten bedragen (inclusief een aandeel in de buitengewone kosten). Aangezien dit bedrag lager is dan de 200 euro die in eerste aanleg werd toegekend en de vader geen incidenteel beroep had ingesteld om dit bedrag verder te verlagen, werd het vonnis van de eerste rechter bevestigd. De beslissing over de kosten was tegenstrijdig: het hof stelde eerst dat de kosten omgeslagen werden, maar veroordeelde vervolgens de moeder tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

    Hof van Beroep AntwerpenUitspraak: 9 oktober 2024Gepubliceerd: 5 februari 2026Mr. Peter-Jan De Meulenaere
    135 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Vordering afgewezen

    Studievertraging en studentenjob: onderhoudsgeld blijft

    Deze zaak betreft een geschil over onderhoudsbijdragen voor twee kinderen, van wie één meerderjarige dochter, volgend op de beëindiging van de feitelijke relatie tussen de ouders. De vader tekende hoger beroep aan tegen een vonnis van de familierechtbank dat hem veroordeelde tot een maandelijkse onderhoudsbijdrage van €200 per kind voor de dochter en het andere kind, en tot de helft van de buitengewone kosten. Het standpunt van de vader was dat hij niet langer onderhoudsplichtig zou moeten zijn voor zijn dochter vanwege haar studieverloop, met name een onderbreking van haar studies. Subsidiair vroeg hij een aanzienlijke verlaging van de bijdrage en stelde hij voorwaarden aan de toekomstige betalingen, gekoppeld aan haar studieresultaten. Voor het andere kind vroeg hij een verlaging van de bijdrage tot €91. De moeder verdedigde het vonnis van de eerste rechter. Daarnaast stelde zij een incidenteel hoger beroep in, waarin ze vorderde om de onderhoudsbijdrage om te zetten in een "all-in" bedrag van €230 per kind. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft zowel het hoger beroep van de vader als het incidenteel hoger beroep van de moeder ongegrond verklaard en het bestreden vonnis volledig bevestigd. Het Hof oordeelde dat de onderhoudsplicht van de vader voor de dochter blijft voortduren. De studieonderbreking van één jaar werd als gerechtvaardigd beschouwd, gezien de ernstige gezondheidsproblemen in het gezin in die periode en het feit dat de dochter haar studies succesvol heeft hervat. Het Hof benadrukte dat gewone inkomsten uit een studentenjob van het kind niet zomaar in mindering worden gebracht op de onderhoudsplicht. Na een gedetailleerde herberekening van de financiële draagkracht van beide ouders, concludeerde het Hof dat de opgelegde bijdrage van €200 per kind per maand niet overdreven was. De vordering van de moeder voor een all-in bijdrage werd afgewezen omdat zij niet kon aantonen dat de wettelijke regeling voor buitengewone kosten onwerkbaar was. De juridische grondslag voor de beslissing is de ouderlijke onderhoudsplicht zoals bepaald in artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek.

    Hof van Beroep AntwerpenUitspraak: 4 juni 2025Gepubliceerd: 5 februari 2026Mr. Peter-Jan De Meulenaere
    159 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Familierecht
    Andere uitspraak

    Niet persoonlijk verschenen: hoger beroep vervallen

    Dit arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen behandelt een hoger beroep in een familierechtelijke zaak tussen twee ex-partners betreffende de regelingen voor hun twee minderjarige kinderen. De vader (appellant) was in beroep gegaan tegen een vonnis van de familierechtbank Limburg. Dat vonnis had een week-om-week verblijfsregeling vastgelegd, de vader veroordeeld tot een onderhoudsbijdrage van €35 per maand per kind, en de moeder gemachtigd om het groeipakket en de sociale voordelen te ontvangen. In hoger beroep vorderde de vader onder meer de afschaffing van de onderhoudsbijdrage, de verdeling van het groeipakket en de sociale voordelen, en dat de kinderen fiscaal ten laste van hem zouden vallen. De moeder (geïntimeerde) vroeg de bevestiging van het oorspronkelijke vonnis, of, indien het groeipakket zou worden verdeeld, een aanzienlijk hogere onderhoudsbijdrage. De kern van de zaak draait echter niet om de inhoudelijke geschilpunten, maar om een procedureel aspect. Op de inleidende zitting voor het Hof van Beroep, waarvoor de persoonlijke verschijning van beide partijen wettelijk verplicht is in zaken betreffende minderjarigen, waren noch de vader, noch de moeder aanwezig. Hun advocaten hadden het hof schriftelijk laten weten niet aanwezig te zullen zijn, wat door het hof scherp werd bekritiseerd. Het Hof van Beroep besliste om de zaak niet uit te stellen of inhoudelijk te behandelen. Op basis van artikel 1253ter/2, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter toelaat de eiser die niet in persoon verschijnt van zijn eis vervallen te verklaren of de zaak naar de bijzondere rol te verwijzen, koos het hof voor het verval van de eis. Het hof oordeelde dat de wettelijke verplichting tot persoonlijke verschijning duidelijk was gecommuniceerd en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangevoerd die de afwezigheid rechtvaardigden. Het hof oordeelde dat het niet in het belang van de kinderen was dat de zaak naar de rol werd verzonden. Bijgevolg werd het hoger beroep van de vader vervallen verklaard, waardoor het hoger beroep werd beëindigd en het vonnis van de eerste rechter van kracht bleef.

    Hof van Beroep AntwerpenUitspraak: 15 december 2025Gepubliceerd: 5 februari 2026Mr. Chanel Ribas Colomar
    306 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Burgerlijk Recht
    Gedeeltelijk toegewezen

    Verzet tegen bevel tot betalen van onderhoudsgeld

    Deze zaak betreft een verzetprocedure voor de beslagrechter, ingesteld door een moeder tegen haar ex-partner. De ex-partner had een bevel tot betalen laten betekenen om achterstallig onderhoudsgeld en bijzondere kosten voor hun twee gemeenschappelijke kinderen te innen, gebaseerd op een eerder vonnis van de familierechtbank van 14 september 2022. De moeder betwistte de hoogte van het gevorderde bedrag. De eiseres (de moeder) voerde aan dat de afrekening van de verweerder (de vader) op verschillende punten onjuist was. Ten eerste claimde ze dat het onderhoudsgeld voor de maanden waarin de onderhoudsplicht was gestart, pro rata berekend moest worden en niet voor de volledige maand. Ten tweede betwistte ze de kwalificatie van bepaalde schoolkosten als 'bijzondere kosten' omdat deze volgens haar niet voldeden aan de strikte definitie in het oorspronkelijke vonnis. Ze vorderde de nietigverklaring van het bevel, opschorting van de invordering, een schadevergoeding voor tergende en roekeloze uitvoering, en de vrijgave van in beslag genomen gelden. De verweerder stelde dat de bedragen wel degelijk verschuldigd waren en de uitvoering dus terecht was. Hij vroeg de rechtbank het verzet ongegrond te verklaren en voor recht te zeggen welk saldo de eiseres verschuldigd was op het moment van de betekening van het bevel. De beslagrechter oordeelde dat het verzet in zeer beperkte mate gegrond was. De rechter volgde de eiseres in haar argument dat de onderhoudsgelden voor de startmaanden pro rata berekend moesten worden. Ook oordeelde de rechter dat een deel van de gevorderde schoolkosten inderdaad niet voldeed aan de definitie van bijzondere kosten uit de uitvoerbare titel, omdat de verweerder niet kon aantonen dat het ging om 'noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal'. Andere kosten, zoals het schooluniform en de boerderijklassen, werden wel als terecht gevorderd beschouwd. De rechtbank stelde vast dat de verweerder terecht tot uitvoering was overgegaan omdat er effectief een schuld bestond, maar voor een te hoog bedrag. Omdat de uitvoering in principe gerechtvaardigd was, werd de vordering tot schadevergoeding afgewezen en werd de eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld tot de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding.

    Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg - Afdeling TongerenUitspraak: 8 februari 2024Gepubliceerd: 5 februari 2026Mr. Peter-Jan De Meulenaere
    112 weergaven
    Vergelijkbare zaak? Laat uw dossier beoordelen →
    Rechtsgebied
    Rechtbank

    Veelgestelde vragen over rechtspraak

    Wat is jurisprudentie en waarom is het belangrijk?▾
    Jurisprudentie is het geheel van rechterlijke uitspraken (vonnissen en arresten) die als referentie dienen voor toekomstige zaken. In België is jurisprudentie geen formele rechtsbron, maar rechters houden er in de praktijk sterk rekening mee. Door relevante rechtspraak te kennen, kunt u beter inschatten hoe een rechter over uw zaak zal oordelen.
    Zijn Belgische vonnissen openbaar?▾
    Ja, op basis van artikel 149 van de Grondwet zijn vonnissen in België in principe openbaar. Wel worden vonnissen geanonimiseerd gepubliceerd om de privacy van betrokkenen te beschermen, conform de AVG/GDPR-wetgeving. LawBase publiceert uitsluitend geanonimiseerde vonnissen met toestemming en na juridische review.
    Wat is het verschil tussen een vonnis en een arrest?▾
    Een vonnis is een uitspraak van een rechtbank (zoals de politierechtbank, familierechtbank of arbeidsrechtbank); een uitspraak van een hof heet een arrest, zoals het Hof van Beroep of het Hof van Cassatie. Arresten hebben doorgaans meer juridisch gewicht als referentie voor toekomstige zaken.
    Hoe kan ik rechtspraak gebruiken voor mijn eigen zaak?▾
    U kunt relevante rechtspraak opzoeken in onze database op rechtsgebied, rechtbank of trefwoord. Door vergelijkbare zaken te bestuderen, krijgt u inzicht in mogelijke uitkomsten en juridische argumenten. Een advocaat van LawBase kan u helpen de meest relevante jurisprudentie toe te passen op uw specifieke situatie.
    Worden alle vonnissen op LawBase geanonimiseerd?▾
    Ja, alle vonnissen op LawBase worden volledig geanonimiseerd voordat ze gepubliceerd worden. Persoonsnamen, adressen en andere identificeerbare gegevens worden verwijderd of vervangen. Elke publicatie doorloopt een anonimiseringscontrole en juridische review door een ervaren advocaat.
    Bij welke Vlaamse rechtbanken pleiten de advocaten van LawBase?▾
    De advocaten van LawBase pleiten bij alle rechtbanken in Vlaanderen en Nederlandstalig Brussel, waaronder de familierechtbanken, politierechtbanken, arbeidsrechtbanken, ondernemingsrechtbanken en de hoven van beroep in Gent, Antwerpen en Brussel.

    Rechtspraak in Vlaanderen: juridische analyse door advocaten

    Rechtspraak — ook wel jurisprudentie genoemd — vormt een onmisbare bron van juridische informatie in België. Hoewel rechterlijke uitspraken formeel geen bindende precedentwerking hebben zoals in Anglo-Saksische rechtsstelsels, spelen vonnissen en arresten in de praktijk een cruciale rol bij de interpretatie en toepassing van het Belgische recht.

    De advocaten van LawBase analyseren geanonimiseerde vonnissen uit de belangrijkste Vlaamse rechtbanken: de familierechtbanken, politierechtbanken, arbeidsrechtbanken, ondernemingsrechtbanken en vredegerechten, evenals arresten van de hoven van beroep te Gent, Antwerpen en Brussel. Elke analyse omvat een samenvatting van de feiten, de toegepaste wetsartikelen, de juridische redenering van de rechter en de praktische gevolgen van de uitspraak.

    Door onze rechtspraakdatabase te raadplegen, krijgt u een realistisch beeld van hoe rechters in Vlaanderen oordelen over kwesties als echtscheiding en alimentatie, verkeersovertredingen, arbeidsgeschillen, huurconflicten en handelszaken. Dit helpt u niet alleen bij het inschatten van uw eigen juridische positie, maar stelt uw advocaat ook in staat om de sterkste argumenten voor te bereiden.

    Alle gepubliceerde vonnissen zijn volledig geanonimiseerd conform de AVG/GDPR en doorlopen een strenge juridische review voordat ze op het platform verschijnen. Neem contact op als u juridisch advies nodig heeft over een specifieke uitspraak of als u een advocaat zoekt die uw belangen bij de rechtbank verdedigt.

    Juridisch advies over uw eigen situatie?

    Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).

    Liever eerst bellen? 050 67 32 06

    Meer info: cookie beleid · privacy