
EOT-vonnis: wat toetst de familierechtbank nog?
Dit vonnis van de familie- en jeugdrechtbank te Antwerpen behandelt een vordering tot echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT), ingediend door twee echtgenoten. De zaak kenmerkt zich door het feit dat de partijen niet tegenover elkaar staan, maar gezamenlijk de rechtbank verzoeken om hun huwelijk te ontbinden op basis van een voorafgaand akkoord. De feiten zijn eenvoudig: de echtgenoten hebben op 10 april 2026 een gezamenlijk verzoekschrift neergelegd bij de griffie. Het vonnis vermeldt de door partijen voorgebrachte overeenkomsten en stukken, overeenkomstig de artikelen 1287, 1288 en 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek. Dergelijke overeenkomsten bevatten doorgaans een volledige regeling van de wederzijdse rechten en plichten, zowel op vermogensrechtelijk als op familiaal vlak. Beide partijen lieten zich bijstaan door dezelfde advocaat, wat de consensus tussen hen verder onderstreept. Als gezamenlijke verzoekers vragen zij samen de echtscheiding op basis van hun overeenkomsten. Er is geen sprake van een geschil dat de rechter moet beslechten. De rechter vervult in deze procedure een voornamelijk formele rol. De beslissing van de rechtbank is dan ook een bekrachtiging van de wil van de partijen. De rechter stelt vast dat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan: het verzoekschrift is correct ingediend en de vereiste overeenkomsten zijn voorgelegd. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, spreekt de rechtbank de echtscheiding tussen de echtgenoten uit. De juridische grondslag voor deze beslissing is primair te vinden in de artikelen 1287 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, die de procedure voor EOT regelen. Deze artikelen schrijven voor dat echtgenoten die in onderlinge toestemming willen scheiden, voorafgaandelijk een allesomvattende overeenkomst moeten sluiten over de gevolgen van hun echtscheiding. De rechtbank toetst enkel of aan de wettelijke voorwaarden naar vorm en inhoud is voldaan (art. 1297 en 1298 Ger. W.), zonder zich uit te spreken over de billijkheid van de door de partijen getroffen regeling. De overeenkomsten mogen wel enkel rechten regelen waarover de echtgenoten vrij kunnen beschikken (art. 1287 Ger. W.), en wanneer de persoonlijke verschijning van de echtgenoten wordt bevolen, kan de rechter bepalingen die kennelijk strijdig zijn met de belangen van minderjarige kinderen laten schrappen of wijzigen (art. 1290 Ger. W.).