
Wagen gekocht met btw-nummer: ondernemingsrechtbank bevoegd
Deze zaak betreft een geschil over de levering van een voertuig dat niet conform de bestelling zou zijn. De eiseres, een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, kocht een nieuwe wagen van de verwerende autodealer. Volgens haar ontbraken bij de levering verschillende bestelde opties, zoals 20-inch velgen, een verwarmd stuurwiel en verwarmde zetels. Ze vorderde bij de Rechtbank van Eerste Aanleg primair de levering van een nieuw, conform voertuig, subsidiair de installatie van de ontbrekende opties, en uiterst subsidiair een schadevergoeding voor de minderwaarde en het gederfde genot. De verweerster wierp echter onmiddellijk en voorafgaand aan elke discussie over de grond van de zaak, een exceptie van materiële onbevoegdheid op. Volgens de verweerster was niet de Rechtbank van Eerste Aanleg, maar wel de Ondernemingsrechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen. De redenering hierachter was dat de eiseres, hoewel een natuurlijke persoon, handelde in haar hoedanigheid van 'onderneming' in de zin van het Wetboek van Economisch Recht (WER). De rechtbank volgde de argumentatie van de verweerster. De rechter stelde vast dat de eiseres een ondernemingsnummer heeft, dat haar btw-nummer vermeld stond op de koopovereenkomst, en dat een specifieke clausule in de algemene voorwaarden een vermoeden van beroepsmatig gebruik creëerde. Deze clausule stelde dat indien de rubriek over het gebruik van het voertuig (privé of beroepsmatig) niet was ingevuld, het voertuig geacht werd voor beroepsdoeleinden te zijn gekocht als de koper over een btw-nummer beschikte. Aangezien de eiseres de rubriek niet had ingevuld en haar btw-nummer had opgegeven, was dit vermoeden van toepassing. Op basis van deze feitelijke elementen oordeelde de rechtbank dat de aankoop niet 'kennelijk vreemd' was aan de onderneming van de eiseres. Bijgevolg werd het geschil gekwalificeerd als een geschil tussen twee ondernemingen. Krachtens artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek valt een dergelijk geschil onder de bijzondere bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank. De Rechtbank van Eerste Aanleg verklaarde zich daarom materieel onbevoegd en verwees de zaak door naar de Ondernemingsrechtbank van Antwerpen, afdeling Hasselt, voor verdere behandeling, zonder zich uit te spreken over de grond van de vordering (de niet-conforme levering).