
Voorlopige schoolwissel geweigerd, verblijf vader uitgebreid
Dit vonnis van de familie- en jeugdrechtbank te Brugge behandelt een tussentijds verzoek van een vader na de beëindiging van de wettelijke samenwoning. De ouders, die hun wettelijke samenwoning in 2025 beëindigden, hebben een dochter van 7 jaar. Hun voorlopige verblijfsregeling liep eind augustus 2026 af, terwijl de zaak ten gronde pas op een zitting in oktober 2026 behandeld wordt. De vader diende een verzoek in op basis van artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek om, vooruitlopend op de zitting ten gronde, een nieuwe voorlopige regeling te verkrijgen vanaf 1 september 2026. Hij vorderde een gelijkmatig verdeeld verblijf (week/week) en de machtiging om zijn dochter in te schrijven in een nieuwe school. De moeder verzette zich hiertegen. Ze argumenteerde dat het kind al bijna vijf jaar in haar huidige school zat en een verandering niet in haar belang zou zijn. Wel stelde de moeder een uitbreiding van het verblijf bij de vader voor naar een 10-4 dagenregeling. De rechtbank oordeelde eerst dat zij wel degelijk bevoegd is om voorlopige maatregelen te nemen. Volgens de rechter blijft de rechtbank die een voorlopige maatregel heeft opgelegd, op grond van artikel 19 Ger.W. zelf aanspreekbaar voor tussengeschillen over die maatregel. Vervolgens wees de rechtbank de vordering tot schoolwijziging af, omdat een voorlopige wissel, met de kans op een nieuwe verandering na de uitspraak ten gronde, niet in het belang van het kind is. Wat de verblijfsregeling betreft, wees de rechtbank de door de vader gevorderde week/week-regeling af. In plaats daarvan volgde ze het tegenvoorstel van de moeder en legde een voorlopige regeling op waarbij het kind om de veertien dagen van vrijdag tot dinsdag bij de vader verblijft. De definitieve beslissing over alle punten werd aangehouden.