
Reistoestemming kind: rechter machtigt moeder ondanks weigering
In deze zaak, behandeld in kort geding door de Familie- en Jeugdrechtbank te Dendermonde, vordert een moeder de machtiging om met haar minderjarige zoon naar het buitenland te reizen. De vader weigert hiervoor zijn toestemming te geven. De reis is gepland van 7 tot en met 23 februari 2026, met als doel het bijwonen van een herdenkingsplechtigheid voor de overleden vader van de moeder. De rechtbank corrigeerde zelf de door de moeder gevorderde data op basis van de voorgelegde vliegtuigtickets. Dit biedt volgens de moeder een unieke kans voor het kind om zijn familie van moederskant te leren kennen. De moeder (eiseres) argumenteert dat de reis een uitzonderlijk en tijdelijk karakter heeft. Om de vrees voor niet-terugkeer te weerleggen, legt ze bewijzen voor van haar stabiele situatie in België, waaronder een arbeidsovereenkomst en een eigendomsbewijs. Ze benadrukt dat het centrum van de belangen van haar zoon in België ligt, waar hij naar school gaat. Bovendien stelt ze dat er een praktisch opvangprobleem zou ontstaan als het kind niet mee op reis kan, omdat de vader volgens haar niet in staat is om de hele periode voor het kind te zorgen. De vader (verweerder) verzet zich tegen de reis. Hij voert aan dat er te veel risico's aan verbonden zijn, zoals de lange reisduur, het onveilige verkeer in het land van bestemming en de aard van de herdenkingsceremonie. Hij betwijfelt of de moeder voldoende toezicht kan houden en voert een reëel risico van niet-terugkeer aan. Het Openbaar Ministerie adviseert negatief, omdat het kind schoolplichtig is en een week school zou missen. De rechtbank beslist in het voordeel van de moeder. De vordering wordt hoogdringend en gegrond verklaard. De rechter oordeelt dat de moeder voldoende heeft aangetoond dat ze de intentie heeft om terug te keren naar België. De door de vader aangehaalde risico's worden als onbewezen of als algemene, niet-onoverkomelijke reisrisico's beschouwd. De vrees voor onvoldoende toezicht wordt weerlegd doordat de moeder op bezoek gaat bij haar familie en haar partner meereist. Het argument van de schoolplicht weegt voor de rechter niet door: het missen van één week kleuterschool weegt niet op tegen het belang van het kind om zijn familie te leren kennen. De rechtbank oordeelt bovendien dat niet duidelijk is of de vader het kind voor een langere periode kan opvangen, machtigt de moeder om met het kind te reizen, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en verdeelt de gerechtskosten tussen de partijen, zonder een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.