
Amfetamine achter het stuur: verval en ongeschiktheid
In een vonnis van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, wordt een bestuurster veroordeeld voor het besturen van een voertuig onder invloed van drugs. De datum en de plaats van de feiten zijn in het geanonimiseerde vonnis niet vermeld. Een analyse wees de aanwezigheid van amfetamine (AMF) in haar organisme aan, met een gehalte van 1250 ng/ml, wat de wettelijke drempel aanzienlijk overschrijdt. De rechtbank achtte de tenlastelegging, gebaseerd op artikel 37bis, §1, 1° van de Wegverkeerswet, bewezen. De beklaagde werd veroordeeld tot een geldboete van € 1.600. Bij niet-betaling binnen de wettelijke termijn is de boete vervangbaar door wat het vonnis een rijverbod van 60 dagen noemt; juridisch is dat een vervangend verval van het recht tot sturen (art. 69bis Wegverkeerswet). Daarnaast legde de rechter een verval van het recht tot sturen op voor een periode van drie maanden. Het herstel van haar recht tot sturen werd afhankelijk gemaakt van het slagen voor zowel een medisch als een psychologisch onderzoek. Cruciaal in deze zaak is dat de rechtbank, naast de strafrechtelijke sanctie, ook een beveiligingsmaatregel oplegde op grond van artikel 42 van de Wegverkeerswet. De rechter oordeelde dat de beklaagde op basis van de beschikbare gegevens lichamelijk of geestelijk ongeschikt was om een motorvoertuig te besturen. Dit resulteert in een bijkomend verval van het recht tot sturen van onbepaalde duur, dat pas kan worden opgeheven wanneer de betrokkene bewijst niet langer ongeschikt te zijn. De beslissing illustreert de strenge aanpak van rijden onder invloed van drugs, waarbij niet alleen een straf wordt opgelegd, maar ook een maatregel ter bescherming van de maatschappij.