
31 km/u te snel in de bebouwde kom: 15 dagen verval
In dit vonnis van de Politierechtbank te Leuven van 22 januari 2026 werd een bestuurder veroordeeld voor een aanzienlijke snelheidsovertreding. De beklaagde reed met een gecorrigeerde snelheid van 81 km/u binnen de bebouwde kom, waar een maximumsnelheid van 50 km/u van kracht is. Dit komt neer op een overschrijding van 31 km/u. Het Openbaar Ministerie vorderde een bestraffing op basis van de vastgestelde feiten. De beklaagde, bijgestaan door een advocaat, voerde verweer, hoewel de specifieke argumenten niet in het vonnis worden gedetailleerd. De rechtbank achtte de tenlastelegging bewezen. Bij het bepalen van de strafmaat hield de rechter rekening met diverse factoren: de ernst van de feiten, de financiële draagkracht en het strafrechtelijk verleden van de beklaagde. De rechter benadrukte dat de straf meerdere doelen dient, waaronder maatschappelijke afkeuring, herstel van het evenwicht, rehabilitatie van de dader en de bescherming van de samenleving. De bestuurder werd veroordeeld tot een geldboete van 240 euro en een verval van het recht tot sturen van 15 dagen. Bij niet-betaling binnen de wettelijke termijn is de boete vervangbaar door wat het vonnis een "rijverbod" van 30 dagen noemt; juridisch is dat een vervangend verval van het recht tot sturen (art. 69bis Wegverkeerswet). De rechtbank motiveerde de oplegging van het verval expliciet als een efficiënte straf met een zware impact, bedoeld om het rijgedrag van de beklaagde te corrigeren. Naast de hoofdstraf werden ook bijdragen aan het Slachtofferfonds en het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand opgelegd, evenals de gerechtskosten. De juridische grondslag voor de veroordeling ligt in artikel 11.1 van de Wegcode en artikel 29, § 3 van de Wegverkeerswet.