
Voorlopig rijbewijs geschonden: 50 uur werkstraf
In dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, stond een beklaagde terecht voor een reeks gelijktijdige verkeersinbreuken. De feiten vonden plaats op één enkele dag, waarbij de bestuurder, houder van een voorlopig rijbewijs B met begeleider, vier verschillende overtredingen beging. De tenlasteleggingen omvatten het niet dragen van de veiligheidsgordel, het onjuist vervoeren van een kind zonder geschikt kinderbeveiligingssysteem, het niet naleven van de voorwaarden van het voorlopig rijbewijs, en het vervoeren van meer inzittenden dan het aantal beschikbare zitplaatsen met een gordel. Het Openbaar Ministerie zette zijn vordering uiteen. De beklaagde stemde tijdens de zitting in met het uitvoeren van een autonome werkstraf, een mogelijkheid waarvoor de rechtbank een beknopt voorlichtingsrapport had opgevraagd bij het Justitiehuis, dat een positief advies verleende. De rechter oordeelde dat alle vier de tenlasteleggingen bewezen waren. Cruciaal in de redenering van de rechtbank was de toepassing van het principe van eenheid van opzet (artikel 65 van het oude Strafwetboek). Omdat alle overtredingen voortkwamen uit één en hetzelfde opzet, werd slechts één straf opgelegd, namelijk de zwaarste die op de feiten van toepassing is. Bij de straftoemeting koos de rechtbank, rekening houdend met de ernst van de feiten, het advies van het Justitiehuis en de instemming van de beklaagde, voor een autonome werkstraf van 50 uur. Deze straf werd als passend beschouwd om zowel de maatschappelijke afkeuring te uiten als de re-integratie van de beklaagde te bevorderen. Als subsidiaire straf, voor het geval de werkstraf niet binnen de termijn van twaalf maanden wordt uitgevoerd, werd een geldboete van 800 euro vastgesteld. De beklaagde werd tevens veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten en bijdragen aan het Slachtofferfonds en het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.