
Uitvoerbaarheid bij voorraad schorsen in hoger beroep?
Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, behandelt een hoger beroep in een burenruzie. De oorspronkelijke zaak voor het Vredegerecht betrof een vordering van de geïntimeerden tegen de appellante wegens hinder door overhangende takken en een te hoge haag. De vrederechter had de vordering gegrond verklaard en de appellante veroordeeld tot het snoeien van de bomen en het inkorten van de haag, op straffe van een dwangsom van €350 per dag vertraging. Het vonnis was, overeenkomstig de wettelijke hoofdregel van artikel 1397 Ger.W., uitvoerbaar bij voorraad. De appellante stelde hoger beroep in en vorderde in haar verzoekschrift de opheffing, minstens de opschorting, van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis; op de inleidende zitting werden enkel die uitvoerbaarheid bij voorraad en de dwangsom behandeld. In uiterst ondergeschikte orde vroeg ze de opheffing van de dwangsom en de opschorting van de looptijd ervan. De rechtbank van eerste aanleg wijst de vorderingen tot opheffing en tot opschorting van de uitvoerbaarheid bij voorraad af. De rechter oordeelt dat de mogelijkheid om in hoger beroep de uitvoerbaarheid bij voorraad aan te vechten, sinds de Potpourri V-wet van 2017 zeer beperkt is. De hoofdregel is dat vonnissen uitvoerbaar zijn niettegenstaande beroep. Een appelrechter kan enkel tussenkomen wanneer de eerste rechter expliciet is afgeweken van de wettelijke regels omtrent uitvoerbaarheid, wat hier niet het geval was. De vrederechter had louter de standaardregel toegepast. De rechtbank stelt expliciet dat oudere cassatierechtspraak die een mildering van dit principe toeliet, niet langer van toepassing is na de wetswijziging. Wat de dwangsom betreft, stelt de rechtbank vast dat ze door de 'cascade' van vorderingen niet kan oordelen over de uiterst ondergeschikte vorderingen tot opheffing van de dwangsom en tot opschorting van de looptijd ervan. Louter volledigheidshalve voegt ze toe dat er geen reden zou zijn om de dwangsom op te heffen en dat zij geen rechtsmacht heeft over de vordering tot opschorting van de looptijd, omdat een vordering op grond van artikel 1385quinquies Ger.W. moet worden gericht aan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, in casu de vrederechter. Over de grond van het hoger beroep, de burenhinder zelf, oordeelt dit vonnis nog niet.