
Gerechtelijke verdeling erfenis: rechtbank stelt notaris aan
Dit vonnis van de Familie- en Jeugdrechtbank te Dendermonde behandelt een vordering tot gerechtelijke vereffening en verdeling van een nalatenschap. De partijen in de zaak zijn drie zussen, die de enige wettige en reservataire erfgenamen zijn van hun overleden moeder. De eiseres stelde vast dat het na het overlijden van hun moeder onmogelijk was om tot een minnelijke, ofwel onderlinge, verdeling van de erfenis te komen. Geconfronteerd met deze impasse, besloot zij de rechtbank te vatten om de gerechtelijke uitonverdeeldheidtreding te vorderen en de aanstelling van een notaris-vereffenaar te vragen om dit proces te leiden. De twee verwerende zussen, die in persoon verschenen, betwistten de vordering niet. De rechtbank stelde eerst haar bevoegdheid vast, zowel materieel (op basis van art. 572bis, 9° Ger.W. voor de familierechtbank) als territoriaal (op basis van art. 627, 3° Ger.W., de plaats waar de erfenis is opengevallen). Ten gronde baseerde de rechter zijn beslissing op het fundamentele principe van artikel 4.66 van het Burgerlijk Wetboek (voorheen artikel 815 oud BW), dat stelt dat niemand gedwongen kan worden in onverdeeldheid te blijven. Aangezien de partijen niet tot een akkoord kwamen, was de vordering tot gerechtelijke verdeling gegrond. Omdat de partijen geen gezamenlijk voorstel voor een notaris deden, stelde de rechtbank ambtshalve een notaris-vereffenaar aan conform artikel 1210 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank besliste verder dat de gerechtskosten, die het gevolg zijn van een procedure die alle erfgenamen ten goede komt, door de 'massa' (de nalatenschap zelf) gedragen moeten worden. Concreet betekent dit dat elke zus een derde van de kosten draagt. Er werd geen rechtsplegingsvergoeding toegekend.