
Schadebeding niet wederkerig: vrederechter schrapt het
In dit vonnis van het Vredegerecht van het kanton Oudenaarde staat een vordering van een onderneming tegen een consument centraal betreffende onbetaalde facturen. De eisende partij vorderde € 955,43 uit hoofde van onbetaalde facturen, interesten en een verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente op € 856,39 en de gerechtelijke intresten op € 85,64. Daarbij vorderde zij een forfaitaire schadevergoeding en nalatigheidsintresten op basis van haar algemene voorwaarden. De consument betwistte de vordering niet, maar verzocht om de mogelijkheid om het verschuldigde bedrag in maandelijkse termijnen van € 300 af te lossen. De eisende partij liet de beslissing over dit verzoek over aan de wijsheid van de rechtbank. De vrederechter oordeelde dat de vordering op het zicht van de stukken verantwoord voorkwam. De rechter ging echter over tot een ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden van de eisende partij. De rechter stelde vast dat het schadebeding waarop de eisende partij zich beriep, niet wederkerig was. Het legde enkel een sanctie op aan de consument bij wanbetaling, zonder een gelijkwaardige vergoeding te voorzien voor de consument indien de onderneming haar verplichtingen niet zou nakomen. Op basis van artikel VI.83, 17° van het Wetboek Economisch Recht (WER) verklaarde de rechter het schadebeding onrechtmatig en dus nietig. Verwijzend naar recente rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (C-625/21), benadrukte de rechter dat wanneer een beding nietig is, de onderneming geen aanspraak kan maken op een vervangende schadevergoeding onder het gemeen recht. De vrederechter wees de gevorderde forfaitaire schadevergoeding en nalatigheidsintrest uitdrukkelijk af en veroordeelde de verweerder tot betaling van € 942,03, vermeerderd met gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet. Het vonnis verduidelijkt niet hoe dat bedrag is samengesteld. Daarnaast willigde de rechter het verzoek tot een afbetalingsplan in en matigde hij de rechtsplegingsvergoeding tot het minimum, aangezien de verweerder de vordering niet had betwist en enkel uitstel van betaling vroeg.