
Gedeeltelijke toewijzing van schuldvordering bij verstek: afwijzing van de gevorderde schadevergoeding
In deze burgerlijke zaak, behandeld voor het Vredegerecht van het eerste kanton Oostende, vordert een eisende onderneming de betaling van een openstaande schuld van een natuurlijke persoon. De vordering werd ingeleid via een dagvaarding op 29 september 2026. De eisende partij eist de veroordeling van de verwerende partij tot het betalen van een hoofdsom, vermeerderd met intresten, een schadebeding en de gerechtskosten. Tijdens de zitting was de verwerende partij niet aanwezig en liet zij zich evenmin vertegenwoordigen door een advocaat. Bijgevolg vroeg de eisende partij om een vonnis bij verstek uit te spreken. De vrederechter heeft de procedurestukken en de neergelegde bewijsstukken onderzocht en vastgesteld dat de wetgeving op het gebruik van de talen in gerechtszaken correct werd nageleefd. De beslissing van de vrederechter steunt in de eerste plaats op artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat de rechter in een verstekprocedure de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij moet inwilligen, behalve voor zover de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen. Bij de beoordeling van de vordering stelt de rechter vast dat de gevorderde hoofdsom en de wettelijke intresten gegrond zijn. De rechter veroordeelt de verwerende partij dan ook tot het betalen van een bedrag van 882,36 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op een bedrag van 818,95 euro vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van de volledige betaling. Opvallend in dit vonnis is dat de vrederechter de gevorderde schadevergoeding uitdrukkelijk afwijst. De rechtbank vermeldt daarvoor geen specifieke reden. Tot slot wordt de verwerende partij veroordeeld tot het dragen van de gerechtskosten. Deze bestaan uit de kosten voor de dagvaarding en het rolrecht dat aan de Belgische Staat moet worden voldaan. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, past de rechter het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 toe. Omdat de verwerende partij verstek laat gaan, wordt de rechtsplegingsvergoeding herleid tot het wettelijke minimumbedrag. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder de mogelijkheid tot kantonnement.