
Gerechtelijke ontbinding en uithuiszetting bij handelshuur wegens ernstige huurachterstal
Deze zaak betreft een geschil inzake een handelshuurovereenkomst voor handelspanden waarvan de ligging is geanonimiseerd, waarbij de verhuurder de gerechtelijke ontbinding van de huur en de uithuiszetting van de huurder vordert wegens een aanzienlijke huurachterstal. De eisende partij, de verhuurder, heeft de procedure ingeleid via een verzoekschrift begin september 2026. De verwerende partij, bestaande uit de vennootschap die het pand huurt en een natuurlijk persoon, is niet op de zitting verschenen. Ook de natuurlijke persoon wordt hoofdelijk veroordeeld. Bijgevolg wordt de zaak bij verstek behandeld. De verhuurder stelt dat de maandelijkse huurprijs 1.400,00 euro bedraagt en dat er een aanzienlijke achterstal is opgebouwd. In de inleidende akte werd aanvankelijk 8.800,00 euro aan achterstallige huur tot en met augustus 2026 gevorderd, samen met een provisie voor waterverbruik. De verhuurder heeft zijn eis uitgebreid met de achterstallige huur voor september 2026, waardoor de totale gevorderde huurachterstal op 10.200,00 euro komt. Daarnaast vordert de verhuurder de ontbinding van het contract, de ontruiming van het pand binnen 48 uur na betekening van het vonnis, een wederverhuringsvergoeding van 8.400,00 euro, een bezettingsvergoeding voor de periode na de ontbinding tot aan de effectieve uithuiszetting, en de vrijgave van de huurwaarborg in zijn voordeel. De vrederechter oordeelt dat de vordering van de verhuurder ontvankelijk en gegrond is zoals in het dictum bepaald. De opgebouwde huurachterstal is dermate ernstig dat deze de onmiddellijke ontbinding van de handelshuurovereenkomst in het nadeel van de huurder rechtvaardigt. De rechter spreekt de ontbinding uit met ingang van eind september 2026 en veroordeelt de huurder om het pand onmiddellijk te verlaten en te ontruimen. De verhuurder krijgt de machtiging om, indien nodig, de uithuiszetting te laten uitvoeren door een gerechtsdeurwaarder, acht dagen na de betekening van het vonnis. Op financieel vlak worden de verwerende partijen hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van de huurachterstal van 10.200,00 euro, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten. Ook de gevorderde wederverhuringsvergoeding van 8.400,00 euro en een dagelijkse bezettingsvergoeding van 46,67 euro (vanaf 1 oktober 2026 tot de ontruiming) worden toegekend. De rechter beveelt de vrijgave van de huurwaarborg aan de verhuurder, zodat dit bedrag kan worden verrekend met de toegekende sommen. Tot slot worden de verwerende partijen veroordeeld in de gerechtskosten. De rechter merkt hierbij op dat de rechtsplegingsvergoeding wordt berekend op basis van de niet in geld waardeerbare vordering (de ontbinding en uithuiszetting), maar verlaagt deze tot het wettelijke minimumbedrag vanwege het verstek van de verwerende partij.