
Verzet tegen bevel tot betalen van onderhoudsgeld
Deze zaak betreft een verzetprocedure voor de beslagrechter, ingesteld door een moeder tegen haar ex-partner. De ex-partner had een bevel tot betalen laten betekenen om achterstallig onderhoudsgeld en bijzondere kosten voor hun twee gemeenschappelijke kinderen te innen, gebaseerd op een eerder vonnis van de familierechtbank van 14 september 2022. De moeder betwistte de hoogte van het gevorderde bedrag. De eiseres (de moeder) voerde aan dat de afrekening van de verweerder (de vader) op verschillende punten onjuist was. Ten eerste claimde ze dat het onderhoudsgeld voor de maanden waarin de onderhoudsplicht was gestart, pro rata berekend moest worden en niet voor de volledige maand. Ten tweede betwistte ze de kwalificatie van bepaalde schoolkosten als 'bijzondere kosten' omdat deze volgens haar niet voldeden aan de strikte definitie in het oorspronkelijke vonnis. Ze vorderde de nietigverklaring van het bevel, opschorting van de invordering, een schadevergoeding voor tergende en roekeloze uitvoering, en de vrijgave van in beslag genomen gelden. De verweerder stelde dat de bedragen wel degelijk verschuldigd waren en de uitvoering dus terecht was. Hij vroeg de rechtbank het verzet ongegrond te verklaren en voor recht te zeggen welk saldo de eiseres verschuldigd was op het moment van de betekening van het bevel. De beslagrechter oordeelde dat het verzet in zeer beperkte mate gegrond was. De rechter volgde de eiseres in haar argument dat de onderhoudsgelden voor de startmaanden pro rata berekend moesten worden. Ook oordeelde de rechter dat een deel van de gevorderde schoolkosten inderdaad niet voldeed aan de definitie van bijzondere kosten uit de uitvoerbare titel, omdat de verweerder niet kon aantonen dat het ging om 'noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal'. Andere kosten, zoals het schooluniform en de boerderijklassen, werden wel als terecht gevorderd beschouwd. De rechtbank stelde vast dat de verweerder terecht tot uitvoering was overgegaan omdat er effectief een schuld bestond, maar voor een te hoog bedrag. Omdat de uitvoering in principe gerechtvaardigd was, werd de vordering tot schadevergoeding afgewezen en werd de eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld tot de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding.