
Kind stopt met studeren: wanneer eindigt onderhoudsgeld?
Dit vonnis van de familierechtbank te Hasselt behandelt een geschil over de onderhoudsplicht voor een meerderjarig kind dat haar hogere studies heeft stopgezet. De ouders waren eerder uit elkaar gegaan, waarbij de jongste dochter haar hoofdverblijf bij de vader had en de moeder aan de vader een onderhoudsbijdrage van €245 per maand en per kind betaalde voor de twee kinderen. Het geschil spitst zich toe op de jongste dochter, die na het behalen van haar middelbaar diploma, haar hogere studies op 28 november 2024 afbrak. De moeder vorderde dat de onderhoudsbijdrage voor die dochter minstens vanaf 1 september 2024 voorlopig zou worden geschorst, omdat de vader weigerde haar documenten te bezorgen waaruit bleek dat de dochter nog hogere studies volgde. De rechtbank verwees naar de 'wachttijd' van één jaar voor een werkloosheidsuitkering van een schoolverlater, zoals het vonnis die vermeldt, een periode waarin de ouderlijke onderhoudsplicht in principe doorloopt. De vader voerde aan dat zijn dochter de intentie had opnieuw te studeren en actief werk zocht. De rechtbank oordeelde dat het stopzetten van een eerste poging tot hogere studies geen abnormaal studieverloop uitmaakt. De rechter stelde echter ook vast dat de vader systematisch had verzuimd de moeder correct en tijdig te informeren over het studieverloop. Hoewel de onderhoudsplicht in principe doorloopt tijdens de wachttijd, besloot de rechtbank hiervan af te wijken. Gezien de concrete omstandigheden, waaronder de actuele grote vraag naar arbeidskrachten, nam de rechtbank het verstrijken van de wachttijd niet als criterium. Zij oordeelde dat de dochter geacht wordt zes maanden na het beëindigen van haar studies minstens deeltijds werk te hebben gevonden of al deeltijds te hebben gewerkt. Bijgevolg werd de onderhoudsplicht van de moeder beëindigd vanaf 1 mei 2025. Het dictum verklaart de vordering van de moeder, die de procedure startte, deels gegrond. Toch werd de moeder veroordeeld tot de kosten van het geding (begroot op 0 euro rolrecht) en tot een rechtsplegingsvergoeding van 313,95 euro. De rechtbank motiveert die kostenveroordeling met "de gedeeltelijke gegrondheid van de vordering van de vader".