
Geldlening niet terugbetaald: enkel vervallen termijnen
Dit vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg, afdeling Hasselt, behandelt een geschil over de terugbetaling van twee particuliere geldleningen. De eiser had aan de verweerder twee leningen verstrekt voor een totaalbedrag van €18.500, bedoeld voor de aankoop van een bestelwagen en de oprichting van een zaak. De terugbetaling was gespreid over maandelijkse termijnen. Nadat de verweerder in gebreke bleef met de betalingen, stapte de eiser naar de rechtbank. In hoofdorde vorderde hij de ontbinding van de leningsovereenkomsten en de veroordeling van de verweerder tot betaling van het volledige openstaande saldo van €12.200. In ondergeschikte orde vorderde hij de betaling van de reeds vervallen en onbetaalde termijnen, ten bedrage van €6.800, met behoud van de oorspronkelijke afbetalingsplannen voor de toekomst. De verweerder betwistte de leningen en zijn terugbetalingsplicht niet. Hij erkende de ondergeschikte vordering (de achterstallige termijnen) maar vroeg de rechtbank om betalingsfaciliteiten toe te kennen in de vorm van maandelijkse afbetalingen van slechts €50. De eiser verzette zich hiertegen. De rechtbank wijst de hoofdvordering van de eiser af. De rechter oordeelt dat een geldlening een eenzijdige overeenkomst is. Het stilzwijgend ontbindend beding, dat de ontbinding van een contract mogelijk maakt bij wanprestatie (art. 1184 oud BW; voor contracten vanaf 2023 art. 5.90 BW), is enkel van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Bijgevolg kan de eiser niet de ontbinding van de leningen en de onmiddellijke opeisbaarheid van het volledige kapitaal vorderen. De oorspronkelijke looptijden van de leningen blijven gerespecteerd. De rechtbank verklaart de ondergeschikte vordering wel gegrond. De verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de vervallen termijnen op het moment van de dagvaarding, vermeerderd met de termijnen die tijdens de procedure zijn vervallen, voor een totaal van €8.000. Het verzoek van de verweerder om betalingsfaciliteiten wordt afgewezen omdat het voorgestelde bedrag van €50 per maand als onredelijk wordt beschouwd, gezien de omvang van de schuld. De rechtbank oordeelt dat de eiser recht heeft op betaling binnen een redelijke termijn.