Terug naar Rechtspraak
    Verkeersrecht
    Veroordeling

    Rood licht in herhaling, rijbewijs jonger dan 2 jaar: verval en examen

    Mr. Peter-Jan De MeulenaerePolitierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde9 april 2024Gepubliceerd Bijgewerkt 1 weergaven
    Delen:
    Verkeersrecht - Rood licht in herhaling, rijbewijs jonger dan 2 jaar: verval en examen

    Samenvatting van de Zaak

    Een bestuurder die sinds minder dan twee jaar een rijbewijs B had, reed in februari 2023 door het rood licht, terwijl die bestuurder binnen de drie jaar voordien al was veroordeeld voor een overtreding van artikel 29, § 1 of § 3 van de Wegverkeerswet. De Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, moest bepalen welke straf daarop volgt. Ze legde een geldboete van 480 euro op en een verval van het recht tot sturen van 30 dagen, met een theoretisch examen als herstelvoorwaarde. Omdat de bestuurder volgens de rechtbank op het ogenblik van het vonnis ongeschikt was om te rijden, volgde daarnaast een verval voor onbepaalde duur op grond van artikel 42 van de Wegverkeerswet.

    Uitkomst:
    Veroordeling

    Kernpunten

    • 1Een rood licht negeren is een overtreding van de derde graad (art. 61.1, 1° Wegcode en art. 3, 36° KB 30 september 2005).
    • 2Bij herhaling binnen drie jaar na een vorige veroordeling in kracht van gewijsde voor een overtreding van art. 29, § 1 of § 3 worden de geldboeten verdubbeld (art. 29, § 4, derde lid Wegverkeerswet): voor een rood licht, bij feiten van vóór 1 september 2026, 60 euro tot 1.000 euro vóór opdeciemen.
    • 3Wie sinds minder dan twee jaar een rijbewijs B heeft, krijgt voor een met een motorvoertuig begane overtreding die tot verval kan leiden, zoals een rood licht, in principe verplicht een verval en minstens een theoretisch of praktisch examen (art. 38, § 5 Wegverkeerswet).
    • 4Wordt een bestuurder lichamelijk of geestelijk ongeschikt bevonden, dan moet de rechter een verval uitspreken dat duurt tot het bewijs van herstelde geschiktheid (art. 42 Wegverkeerswet).
    • 5Voor feiten van vóór 1 februari 2026 worden de geldboeten met acht vermenigvuldigd: 60 euro werd hier 480 euro.
    • 6Is het herstel afhankelijk van een examen, dan kan het verval niet enkel in het weekend worden uitgevoerd (art. 38, § 2bis Wegverkeerswet).

    Juridische Analyse

    De feiten

    De beklaagde werd vervolgd omdat zij in februari 2023 als bestuurder een rood licht of een rode pijl voorbijreed. Het openbaar ministerie vervolgde dat als een overtreding van de artikelen 5 en 61.1, 1° en 4° van de Wegcode, samen met de artikelen 29, § 1, tweede lid en 38, § 1, 3° van de Wegverkeerswet.

    In de dagvaarding stonden twee verzwarende omstandigheden. Ten eerste bevond de beklaagde zich in staat van herhaling: binnen de drie jaar vóór de feiten had een politierechtbank haar al veroordeeld voor een overtreding van artikel 29, § 1 of § 3 van de Wegverkeerswet, bij een vonnis dat in kracht van gewijsde was gegaan. Ten tweede was zij op het ogenblik van de feiten sinds minder dan twee jaar houder van het rijbewijs B.

    De zaak werd op tegenspraak behandeld.

    De rechtsvraag

    Welke straffen volgen wanneer een beginnende bestuurder in staat van herhaling een rood licht negeert? Hoe weegt de herhaling op de geldboete, is een verval verplicht bij een rijbewijs van minder dan twee jaar, en wat als de bestuurder ongeschikt blijkt om te rijden?

    Wat zegt de wet?

    De feiten dateren van februari 2023. Voor de straf geldt dus het recht van toen: de Wegverkeerswet zoals die gold vóór 1 september 2026 en het oud Strafwetboek van 1867. Artikel 2 oud Sw. bepaalt dat een misdrijf enkel kan worden gestraft met straffen die de wet voorzag vóór het misdrijf werd gepleegd.

    Rood licht: een overtreding van de derde graad

    Artikel 61.1, 1° van de Wegcode bepaalt dat rood licht betekent "dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden". Volgens 4° van hetzelfde artikel mag het rode licht vervangen worden door een rode pijl, met dezelfde betekenis voor de aangeduide richting. Het koninklijk besluit van 30 september 2005 rangschikt het negeren van het rood licht bij de overtredingen van de derde graad (art. 3, 36°).

    Onder het toenmalige artikel 29, § 1, tweede lid van de Wegverkeerswet werd een overtreding van de derde graad gestraft met een geldboete van 30 euro tot 500 euro. Volgens artikel 38, § 1, 3° kan de rechter daarnaast een verval van het recht tot sturen uitspreken, van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar.

    Herhaling: verdubbeling van de geldboete

    Artikel 29, § 4, derde lid van de Wegverkeerswet bepaalt: "De geldboetes worden verdubbeld bij herhaling van een overtreding als bedoeld in paragraaf een of drie binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan." Voor een rood licht wordt de strafvork dan 60 euro tot 1.000 euro, te verhogen met de opdeciemen.

    Rijbewijs van minder dan twee jaar: verplicht verval en examen

    Artikel 38, § 5 van de Wegverkeerswet verplicht de rechter om het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel minstens afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen, wanneer hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B. Die regel geldt niet voor overtredingen van de tweede graad, maar wel voor een rood licht (derde graad). De wet koppelt die verplichting aan de ouderdom van het rijbewijs, niet aan de leeftijd van de bestuurder.

    Ongeschiktheid: verval voor onbepaalde duur

    Artikel 42 van de Wegverkeerswet bepaalt dat het verval van het recht tot sturen moet worden uitgesproken wanneer de schuldige, naar aanleiding van een veroordeling wegens een verkeersovertreding, "lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig". De duur van dat verval "is afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen". Dat verval heeft dus geen vaste termijn: het hangt af van de toestand van de bestuurder.

    De beslissing van de rechtbank

    De rechtbank acht de tenlastelegging bewezen, net als de staat van herhaling en de verzwarende omstandigheid van het rijbewijs van minder dan twee jaar. Bij de straftoemeting houdt ze rekening met de concrete aard en ernst van de feiten, de financiële draagkracht van de beklaagde en haar strafrechtelijk verleden.

    Over het verval overweegt de rechtbank: "Een rijverbod heeft een zware impact en is daarom een efficiënte straf." Het verval moet de beklaagde ertoe brengen haar rijgedrag te verbeteren. Het herstel van het recht tot sturen maakt de rechtbank afhankelijk van het slagen in een theoretisch examen.

    Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de beschikbare gegevens aantonen dat de beklaagde "op heden ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen". Op grond van artikel 42 van de Wegverkeerswet volgt dan verplicht een bijkomend verval. Het vonnis vermeldt niet welke gegevens dat precies zijn.

    Concreet beslist de politierechter:

    • een geldboete van 60 euro, verhoogd met 70 opdeciemen, of 480 euro, bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn vervangbaar door een rijverbod van 30 dagen;
    • een verval van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor 30 dagen;
    • het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een theoretisch examen;
    • een verval van het recht tot sturen op grond van artikel 42 van de Wegverkeerswet, zonder vaste duur;
    • een bijdrage van 200 euro (25 euro verhoogd met 70 opdeciemen) aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, 24 euro aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, de gerechtskosten van 31,06 euro en een vaste vergoeding van 58,90 euro.

    Analyse en betekenis voor de praktijk

    De geldboete: het minimum van de verdubbelde vork

    Door de herhaling liep de strafvork van 60 euro tot 1.000 euro. De rechtbank legt met 60 euro het minimum van die verdubbelde vork op. De opdeciemen maken er 480 euro van: voor feiten van vóór 1 februari 2026 wordt het basisbedrag met acht vermenigvuldigd. Zonder herhaling lag het minimum van de strafvork op 30 euro, of 240 euro met opdeciemen.

    Waarom het verval hier niet vrijblijvend was

    Voor een rood licht is een verval normaal een mogelijkheid (art. 38, § 1, 3°). Bij een bestuurder met een rijbewijs B van minder dan twee jaar die de overtreding met een motorvoertuig begaat, wordt het in principe een verplichting, samen met minstens een theoretisch of praktisch examen (art. 38, § 5). De rechtbank koos voor een verval van 30 dagen en een theoretisch examen.

    Omdat het herstel afhankelijk is van een examen, was een verval dat enkel tijdens het weekend wordt uitgevoerd niet mogelijk. Artikel 38, § 2bis sluit die gunstmaatregel uit wanneer de rechter het herstel afhankelijk maakt van het slagen voor een of meer examens of onderzoeken.

    Geen verplicht verval van drie maanden en vier examens

    De herhaling had hier geen gevolg voor de minimumduur van het verval. De strenge herhalingsregel van artikel 38, § 6 (verval van ten minste drie maanden en vier herstelexamens) geldt enkel voor een limitatieve lijst van overtredingen, zoals overtredingen van de vierde graad, zware snelheidsovertredingen en bepaalde vormen van rijden onder invloed van alcohol of drugs. Een overtreding van de derde graad, zoals een rood licht, staat niet in die lijst.

    Het verval wegens ongeschiktheid kan het zwaarst wegen

    Het verval wegens ongeschiktheid kan in de praktijk zwaarder wegen dan het verval van 30 dagen. Door het verval op grond van artikel 42 mag de bestuurder pas opnieuw rijden wanneer zij bewijst dat zij niet langer ongeschikt is. De rechter moet dat verval uitspreken zodra de ongeschiktheid is vastgesteld; hij heeft daarover geen keuze. Hoe zo'n verval later kan worden opgeheven, blijkt uit een zaak waarin een politierechter het verval wegens medische ongeschiktheid ophief.

    Wat is sindsdien gewijzigd?

    Het vonnis dateert van 2024 en past terecht het toenmalige recht toe. Sinds 1 september 2026 is het nieuwe Strafwetboek in werking en is de Wegverkeerswet gewijzigd door de wet van 25 mei 2026. Voor feiten vanaf die datum wordt een overtreding van de derde graad gestraft met een straf van niveau 1, met een geldboete van 240 euro tot 4.000 euro, te verhogen met opdeciemen (factor 1,25). De verdubbeling van de geldboete bij herhaling binnen drie jaar staat nog in artikel 29, § 4 van de Wegverkeerswet. De nummering van de besproken artikelen 29, 38 en 42 is ongewijzigd. Voor feiten van vóór 1 september 2026 blijft het oude recht het vertrekpunt; de nieuwe wet geldt enkel waar ze gunstiger is (art. 2 Sw.). Een voorbeeld daarvan is een recente zaak over gsm-gebruik achter het stuur in staat van herhaling.

    Praktische tips

    • Hebt u uw rijbewijs B nog geen twee jaar? Dan leidt een overtreding met een motorvoertuig die tot een verval kan leiden, zoals een rood licht, in principe verplicht tot een verval en minstens een theoretisch of praktisch examen. Voor overtredingen van de tweede graad geldt die verplichting niet.
    • Een eerdere veroordeling voor een overtreding van artikel 29, § 1 of § 3 telt drie jaar mee, vanaf de uitspraak van het vorige vonnis in kracht van gewijsde. Bij een nieuwe dergelijke overtreding binnen die periode worden de geldboeten verdubbeld.
    • Betaal de geldboete tijdig. In deze zaak kon een onbetaalde geldboete worden vervangen door een rijverbod van 30 dagen. Het toenmalige artikel 69bis van de Wegverkeerswet liet dat toe bij niet-betaling binnen twee maanden na een vonnis op tegenspraak.
    • Wordt u ongeschikt verklaard op grond van artikel 42, dan loopt het verval zolang u niet bewijst dat u opnieuw geschikt bent om te rijden. Verzamel daarom tijdig de nodige medische of andere bewijsstukken.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 61.1, 1° en 4°

    Wegcode (KB 1 december 1975)

    Rood licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf voorbij te rijden; een rode pijl heeft dezelfde betekenis voor de aangeduide richting.

    Art. 3, 36°

    KB 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad

    Het rood licht negeren is een overtreding van de derde graad.

    Art. 29, § 1, tweede lid en § 4, derde lid

    Wegverkeerswet (gecoördineerd bij KB 16 maart 1968), versie vóór 1-9-2026

    Overtredingen van de derde graad worden gestraft met een geldboete van 30 tot 500 euro; de geldboetes worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar na een vorig veroordelend vonnis in kracht van gewijsde.

    Art. 38, § 1, 3° en § 2bis

    Wegverkeerswet (gecoördineerd bij KB 16 maart 1968), versie vóór 1-9-2026

    De rechter kan een verval van acht dagen tot vijf jaar uitspreken bij een overtreding van de tweede of derde graad; een verval enkel in het weekend is uitgesloten als het herstel afhankelijk is van examens of onderzoeken.

    Art. 38, § 5

    Wegverkeerswet (gecoördineerd bij KB 16 maart 1968), versie vóór 1-9-2026

    Verplicht verval en herstel minstens afhankelijk van het theoretisch of praktisch examen bij een met een motorvoertuig begane overtreding die tot verval kan leiden, voor wie sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B; niet van toepassing op onder meer de overtredingen van de tweede graad.

    Art. 42

    Wegverkeerswet (gecoördineerd bij KB 16 maart 1968), versie vóór 1-9-2026

    Verplicht verval van het recht tot sturen bij lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid; de duur hangt af van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is.

    Art. 69bis

    Wegverkeerswet (gecoördineerd bij KB 16 maart 1968), versie vóór 1-9-2026

    Bij niet-betaling binnen twee maanden kan de geldboete worden vervangen door een verval van ten minste acht dagen en ten hoogste een jaar.

    Art. 2

    Strafwetboek van 8 juni 1867 (oud Sw.)

    Een misdrijf kan enkel worden gestraft met straffen die de wet voorzag vóór het misdrijf; bij een verschil wordt de minst zware straf toegepast.

    Meer over Verkeersrecht

    Ontdek al onze diensten, juridische tools en artikelen over verkeersrecht.

    Bekijk expertisepagina Verkeersrecht

    Veelgestelde vragen over deze zaak

    Meer over Verkeersrecht

    Vergelijkbare situatie? Spreek een advocaat

    Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).

    Liever eerst bellen? 050 67 32 06

    Kantoor € 75Video € 50

    Prijzen excl. btw

    Meer info: cookie beleid · privacy