Onderhoudsgeld berekenen: verdienvermogen telt bij deeltijds werken

Samenvatting van de Zaak
Na een echtscheiding moest de familierechtbank het gezag, de verblijfsregeling en de onderhoudsbijdragen vastleggen voor drie kinderen. De rechtbank rekende bij beide ouders een voltijds verdienvermogen van ongeveer 2.200 euro per maand in, ook bij de moeder die deeltijds werkte en bij de werkzoekende vader, omdat geen van beiden een beletsel aantoonde om voltijds te werken. Het jongste kind kreeg een week-weekregeling, de tiener een vrije omgangsregeling met de moeder, die voor hem 210 euro per maand betaalt. Een all-in bijdrage werd geweigerd: de buitengewone kosten worden bij helften gedeeld.
Relevante Juridische Tools
Bereken zelf uw situatie met onze gratis tools:
Kernpunten
- 1Bij het berekenen van onderhoudsgeld kijkt de rechter niet alleen naar het werkelijke inkomen, maar ook naar het verdienvermogen van elke ouder.
- 2Wie deeltijds werkt zonder bewezen beletsel om voltijds te werken, riskeert dat een voltijds verdienvermogen wordt ingerekend.
- 3Ook bij de werkzoekende vader, wiens leefloon was geschorst, rekende de rechtbank een voltijds verdienvermogen van ongeveer 2.200 euro per maand in.
- 4In deze zaak leidden een gelijke draagkracht en een gelijk verdeeld verblijf ertoe dat geen van de ouders voor die kinderen een maandelijkse onderhoudsbijdrage verschuldigd is.
- 5Een all-in onderhoudsbijdrage is een uitzondering en werd geweigerd omdat niet bleek dat buitengewone kosten structureel onbetaald bleven.
- 6Wie exclusief ouderlijk gezag vraagt, moet aantonen dat de ouders geen overeenstemming bereiken over belangrijke beslissingen of dat die overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind; de vader slaagde daar niet in.
Juridische Analyse
De feiten
Twee ouders van vier zonen gingen uit elkaar. De oudste zoon was al meerderjarig en werd niet bij de procedure betrokken. De discussie ging over de drie andere kinderen: een zoon die tijdens de procedure achttien werd, een tiener van zestien en een jongste kind van bijna negen. De echtscheiding zelf was in de loop van dezelfde procedure al uitgesproken; in het vonnis van 12 januari 2026 moest de familierechtbank nog beslissen over het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en de onderhoudsbijdragen.
De vader vroeg het exclusieve ouderlijk gezag over de tiener, een hoofdverblijf van het jongste kind bij hem en een zogenaamde all-in onderhoudsbijdrage van 150 euro per maand en per kind ten laste van de moeder (voor de tiener doorlopend, voor de twee andere kinderen tot 1 september 2025). Hij voerde aan dat de regeling van de buitengewone kosten onwerkbaar was en dat kosten onbetaald bleven. De moeder betwistte dat en legde bewijzen voor van betalingen.
Uit het maatschappelijk onderzoek bleek dat de tiener sinds de scheiding uitsluitend bij de vader verbleef en niet bij de moeder wilde verblijven. Het jongste kind voelde zich goed bij beide ouders en wenste een week-weekregeling. De justitieassistent adviseerde een vrije omgangsregeling voor de tiener en een week-weekregeling voor het jongste kind.
Ook de financiële situatie lag moeilijk. De vader, vroeger zelfstandige, was failliet verklaard en had een leefloon ontvangen, dat het OCMW had geschorst (zijn beroep daartegen was nog hangende). Hij was werkzoekend. De moeder werkte deeltijds (30 uur per week) als poetshulp en voerde aan dat het aantal gewerkte uren afhing van de bezetting van het hotel waar ze werd ingezet.
De rechtsvraag
De kernvraag was hoe het onderhoudsgeld moet worden berekend wanneer een ouder minder verdient dan hij of zij zou kunnen. Houdt de rechter rekening met het werkelijke inkomen, of met het verdienvermogen, dus met wat een ouder redelijkerwijze zou kunnen verdienen? Daarnaast moest de rechtbank beslissen of een all-in onderhoudsbijdrage aangewezen was, en of er redenen waren om het ouderlijk gezag over de tiener aan één ouder toe te vertrouwen.
Wat zegt de wet?
De onderhoudsplicht van ouders staat in de artikelen 203 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek. Die materie is nog niet overgeheveld naar het nieuwe Burgerlijk Wetboek, zodat deze artikelen ook vandaag van toepassing zijn.
Artikel 203, § 1, oud BW bepaalt: “De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen.” Die verplichting loopt door na de meerderjarigheid als de opleiding niet voltooid is. Paragraaf 2 omschrijft de middelen ruim: “alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen.”
Volgens artikel 203bis, § 1, oud BW draagt elke ouder bij “in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen”. Paragraaf 3 maakt het onderscheid tussen gewone en buitengewone kosten en draagt de Koning op de buitengewone kosten en de wijze van afrekening vast te stellen. Dat gebeurde bij het koninklijk besluit van 22 april 2019, waarnaar het vonnis verwijst. Artikel 1321, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek somt op welke elementen een vonnis over onderhoudsgeld moet vermelden, waaronder de middelen van elke ouder, het budget van het kind, de verblijfsregeling en de bijdrage in natura.
Voor het ouderlijk gezag geldt artikel 374 oud BW. Ouders die niet samenleven, blijven het gezag gezamenlijk uitoefenen. De familierechtbank kan de uitoefening uitsluitend aan één ouder opdragen bij gebrek aan overeenstemming over belangrijke beslissingen of wanneer die overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind. Bij gezamenlijk gezag onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één ouder bij voorrang de mogelijkheid van een gelijkmatig verdeelde huisvesting (art. 374, § 2, oud BW).
De beslissing van de rechtbank
Gezag en verblijf
De rechtbank wees het exclusieve gezag over de tiener af. De vader bracht onvoldoende elementen aan om af te wijken van het wettelijke basismodel: “De rechtbank acht ouders in staat om overleg te voeren en overeenstemmingen te bereiken.” Ook de vrije verblijfsregeling van de tiener deed daar niets aan af. De tiener en het jongste kind bleven ingeschreven bij de vader.
Voor de tiener hield de rechtbank het bij een vrije omgangsregeling met de moeder: een afdwingbare regeling opleggen zou in deze omstandigheden een averechts effect kunnen hebben. Het jongste kind kreeg een week-weekregeling, met wissel op maandagochtend aan school, een verdeling van de zomervakantie per maand en een afwisselende regeling voor religieuze feestdagen; Moeder- en Vaderdag worden bij de gevierde ouder doorgebracht.
Verdienvermogen van beide ouders
Het financiële luik is het meest leerrijk. Volgens het vonnis dient de rechter “niet enkel rekening te houden met de reële inkomsten, maar ook met de virtuele inkomsten of het verdienvermogen van partijen”.
Voor de vader oordeelde de rechtbank: “Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er voor vader geen enkel beletsel gekend/bewezen om voltijds aan de slag te gaan.” De geschorste uitkering en de werkloosheid veranderden daar niets aan. De rechtbank rekende een voltijds verdienvermogen in van ongeveer 2.200 euro per maand, meer vakantiegeld en eindejaarspremie.
Voor de moeder gebeurde hetzelfde. Haar argument dat de uren afhingen van de bezetting van het hotel werd niet gevolgd. Er was geen beletsel bewezen om voltijds te werken in dezelfde of een gelijkwaardige functie, “des te meer nu er veel vraag is op de arbeidsmarkt naar poetshulpen”. De rechtbank voegde eraan toe: “Het is uiteraard de vrije keuze van moeder om dit al dan niet te doen, maar de rechtbank houdt rekening met deze op vandaag on(der)benutte arbeidscapaciteit.” Ook bij haar werd een voltijds verdienvermogen van ongeveer 2.200 euro per maand ingerekend, meer vakantiegeld en eindejaarspremie.
Omdat bij beide ouders hetzelfde verdienvermogen werd ingerekend en de verschillen in woonlasten en gewone vaste kosten niet doorslaggevend waren, schatte de rechtbank het aandeel van elke ouder in de samengevoegde middelen op 50%.
De berekening
Er lag geen onderbouwde kostenraming voor, dus vertrok de rechtbank van de tabellen van de Gezinsbond. Voor de tiener gaf dat een brutokost van 710,45 euro per maand, min het groeipakket van 290,11 euro, of een nettokost van 420,34 euro. Omdat de tiener volledig bij de vader verblijft, draagt de moeder in natura niets bij en moet ze de helft betalen: 210,17 euro, afgerond 210 euro per maand, vanaf 1 april 2025 en jaarlijks geïndexeerd. Het groeipakket voor de tiener gaat volledig naar de vader.
Voor de meerderjarige zoon en het jongste kind, die bij beide ouders evenveel verblijven, is geen van beide ouders een maandelijkse onderhoudsbijdrage verschuldigd. Elke ouder draagt de verblijfsgebonden kosten tijdens het eigen verblijf, en het groeipakket wordt bij helften verdeeld.
Geen all-in onderhoudsbijdrage
De rechtbank erkende dat een familierechter de buitengewone kosten in bijzondere omstandigheden forfaitair mag opnemen in de gewone bijdrage (met verwijzing naar Cass. 3 november 2016, C.15.0217.F, zoals geciteerd in het vonnis). Zo’n all-in bijdrage is volgens het vonnis doorgaans voorbehouden voor situaties waarin normale communicatie tussen de ouders niet meer mogelijk lijkt. Hier stond dat niet vast: “Uit niets blijkt dat het merendeel van de buitengewone kosten voor de kinderen niet correct en stipt betaald is geworden.” De buitengewone kosten worden daarom bij helften gedragen, volgens de lijst en de regels van het KB van 22 april 2019.
Analyse en betekenis voor de praktijk
Dit vonnis maakt duidelijk dat deeltijds werken of werkloosheid een ouder niet automatisch beschermt tegen een hogere bijdrage. Het begrip ‘middelen’ in artikel 203, § 2, oud BW is ruimer dan het loon op de loonfiche. De rechtbank rekent in wat een ouder redelijkerwijze kan verdienen, tenzij die ouder aantoont waarom dat niet haalbaar is. Een algemene bewering over wisselende uren volstaat niet.
Opvallend is dat de rechtbank beide ouders gelijk behandelt. Omdat bij beide hetzelfde verdienvermogen werd ingerekend, kwam de verdeling op 50/50 uit. Dat heeft een eenvoudig gevolg: bij de kinderen met een gelijk verdeeld verblijf betaalt geen van beiden een bijdrage, en voor het kind dat bij één ouder woont, betaalt de andere ouder de helft van de nettokost.
Het vonnis herhaalt ook enkele vaste principes. Gewone vaste kosten zoals energie en verzekeringen heffen elkaar op en verminderen de draagkracht niet. Schulden tellen alleen mee als ze ‘niet-samendrukbaar’ zijn; zie ook onze analyse over onderhoudsplicht bij leefloon en collectieve schuldenregeling. Voor de meerderjarige zoon stelt het vonnis dat beperkte inkomsten uit een vakantiejob of weekendwerk eerder dienen voor extra’s of om te sparen, niet voor het basisonderhoud; dat sluit aan bij de analyse over studievertraging en een studentenjob.
Wie een all-in bijdrage vraagt, moet concreet aantonen dat het overleg over buitengewone kosten niet werkt, bijvoorbeeld met bewijs van onbetaalde kosten. Een beweerd gebrek aan betaling dat de andere ouder met bewijsstukken weerlegt, volstaat niet.
Tot slot een procedurele les: de rechtbank stelde vast dat de syntheseconclusie van de moeder niet voldeed aan de structuurvereisten van artikel 744 van het Gerechtelijk Wetboek. Daardoor hoefde de rechtbank niet op alle argumenten in die conclusie te antwoorden (art. 780 Ger.W.).
Praktische tips
- Werkt u deeltijds of bent u werkzoekend? Leg dan concrete stukken voor waarom voltijds werken niet haalbaar is, zoals medische attesten, zorgtaken of sollicitaties. Anders rekent de rechter mogelijk een voltijds verdienvermogen in.
- Bezorg volledige financiële stukken: aanslagbiljetten, loonfiches, uitkeringsbeslissingen. De rechtbank benadrukt dat ouders loyaal moeten meewerken aan de bewijsvoering.
- Zonder eigen kostenraming vertrekt de rechter vaak van de tabellen van de Gezinsbond. Wilt u een hogere of lagere kindkost laten aannemen, onderbouw die dan met stukken.
- Vraag enkel een all-in bijdrage als u kunt aantonen dat afrekenen van buitengewone kosten structureel mislukt.
- Advocaten: structureer conclusies volgens artikel 744 Ger.W. (feiten, aanspraken, middelen, gevraagd dictum), anders riskeert u dat argumenten onbeantwoord blijven.
Toegepaste Wetsartikelen
Art. 203, § 1 en § 2
Oud Burgerlijk Wetboek
Ouders zorgen naar evenredigheid van hun middelen voor huisvesting, levensonderhoud, gezondheid, toezicht, opvoeding, opleiding en ontplooiing van hun kinderen; middelen omvatten alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten en alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard waarborgen.
Art. 203bis, § 1 en § 3
Oud Burgerlijk Wetboek
Elke ouder draagt bij in verhouding tot zijn aandeel in de samengevoegde middelen; de kosten omvatten gewone en buitengewone kosten, die de Koning nader bepaalt.
Art. 203quater, § 1
Oud Burgerlijk Wetboek
De onderhoudsbijdrage wordt van rechtswege aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, tenzij de rechtbank een andere formule toepast.
Art. 374, § 1 en § 2
Oud Burgerlijk Wetboek
Niet-samenlevende ouders oefenen het gezag gezamenlijk uit; de familierechtbank kan het uitsluitend aan één ouder opdragen bij gebrek aan overeenstemming of strijd met het belang van het kind, en onderzoekt op vraag bij voorrang een gelijkmatig verdeelde huisvesting.
Art. 1321, § 1
Gerechtelijk Wetboek
Een vonnis dat een onderhoudsbijdrage vaststelt, vermeldt onder meer de middelen van elke ouder, het budget van het kind, de buitengewone kosten, de verblijfsregeling en de bijdrage in natura.
Art. 744 en 780, eerste lid, 3°
Gerechtelijk Wetboek
Conclusies bevatten achtereenvolgens en uitdrukkelijk de feiten, de aanspraken, de middelen en het gevraagde beschikkende gedeelte; het vonnis antwoordt op de overeenkomstig artikel 744 uiteengezette middelen.
KB van 22 april 2019
Koninklijk Besluit
Bepaalt de buitengewone kosten en de wijze van afrekening ter uitvoering van artikel 203bis, § 3, oud BW (zoals geciteerd in het vonnis).
Meer over Familierecht
Ontdek al onze diensten, juridische tools en artikelen over familierecht.
Bekijk expertisepagina FamilierechtVeelgestelde vragen over deze zaak
Meer over Familierecht
Alimentatie PRO Simulator
Bereken in enkele minuten wat u zou betalen of ontvangen bij élke mogelijke verblijfsregeling — week-om-week, weekend, 9/5, 1/3-2/3 — en stuur een onderbouwd voorstel naar uw ex-partner. Klaar voor uw gesprek met bemiddelaar of advocaat.
- Vergelijk wat u betaalt of ontvangt bij elke verblijfsregeling
- Stuur een concreet voorstel naar uw ex-partner — met opvolging (bekeken / akkoord)
- Onderhandelingsdocument voor uw gesprek met bemiddelaar of advocaat
- Juridisch onderbouwd, ook zonder juridische voorkennis te begrijpen
EOT PRO — Echtscheiding met onderlinge toestemming
Stel zelf uw volledig EOT-dossier op via een begeleide wizard, met advocatencontrole en neerlegging bij de familierechtbank.
- Wizard voor vermogen, kinderen en alimentatie in één dossier
- Conforme overeenkomst klaar voor de familierechtbank
- Vaste prijs met indicatieve kosten vooraf
- Advocatencontrole en begeleiding bij elke stap
Vergelijkbare situatie? Spreek een advocaat
Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).
Liever eerst bellen? 050 67 32 06
Gerelateerde Zaken
Alle rechtspraakBlijvende saisine: dwangsom voor vader die verblijfsregeling niet naleeft
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank
26 mrt 2026
Omgangsrecht beperken wegens alcohol vader: geen overnachtingen meer
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie familie- en jeugdrechtbank
10 apr 2025
Schoolkeuze kind bij echtscheiding: rechter kiest voor stabiliteit
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank, vakantiekamer familiezaken
31 jul 2020