Alcohol in het verkeer in recidive: gevolgen bevestigd in hoger beroep

Samenvatting van de Zaak
Een bestuurder werd in oktober 2024 betrapt met een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 mg/l uitgeademde lucht of 0,8 g/l bloed, minder dan drie jaar na een eerdere veroordeling voor alcohol achter het stuur, en reed bovendien zonder rijbewijs bij zich en met een voertuig zonder geldig keuringsbewijs. De politierechtbank legde onder meer een geldboete van 4.000 euro en een verval van het recht tot sturen van 8 maanden op, telkens deels met uitstel, en vier herstelexamens. In hoger beroep, dat enkel over de strafmaat ging, verklaarde de correctionele rechtbank van Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, het beroep ongegrond en bevestigde zij het vonnis volledig.
Relevante Juridische Tools
Bereken zelf uw situatie met onze gratis tools:
Kernpunten
- 1Wie binnen drie jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor rijden met ten minste 0,35 mg/l opnieuw met ten minste 0,35 mg/l rijdt, bevindt zich in staat van herhaling (art. 36 Wegverkeerswet).
- 2Was in het vorige vonnis al artikel 38, § 6, eerste lid toegepast, dan bedraagt het verval bij een nieuwe herhaling binnen drie jaar ten minste zes maanden en zijn de vier herstelexamens en -onderzoeken verplicht.
- 3De rechtbank bevestigde in hoger beroep een geldboete van 4.000 euro (deels met uitstel) en een verval van 8 maanden, waarvan 2 maanden met uitstel.
- 4Een ruimer uitstel werd geweigerd omdat het volgens de rechtbank een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal zou zijn, mede gelet op het strafrechtelijk verleden.
- 5Voor feiten van vóór 1 februari 2026 worden geldboeten met 8 vermenigvuldigd (70 opdeciemen); voor feiten van vóór 1 september 2026 geldt in beginsel het oude recht, tenzij de nieuwe straf minder zwaar is.
- 6Een hoger beroep dat enkel over de strafmaat gaat, kan volledig ongegrond worden verklaard, met bijkomende kosten voor de beklaagde.
Juridische Analyse
De feiten
In oktober 2024 bestuurde een man op een openbare plaats een voertuig met een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of ten minste 0,8 gram per liter bloed (de tenlastelegging vermeldt beide grenzen); de precieze gemeten waarde staat niet in het vonnis. Op dezelfde dag en plaats had hij zijn rijbewijs niet bij zich en was het voertuig niet voorzien van een geldig keuringsbewijs.
Het ging niet om een eerste feit. In 2022 was de bestuurder door de politierechtbank al veroordeeld wegens alcoholintoxicatie (art. 34, § 2, 1° Wegverkeerswet). In dat vonnis werd hij bovendien al beschouwd als iemand in staat van herhaling in de zin van artikel 38, § 6, eerste lid Wegverkeerswet. Het nieuwe feit volgde dus binnen drie jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.
De politierechtbank Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, veroordeelde hem op 29 april 2025 voor de drie tenlasteleggingen:
- Alcohol in herhaling (A): een geldboete van 4.000 euro (500 euro verhoogd met 70 opdeciemen), waarvan 1.600 euro met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende 3 jaar, vervangbaar door een rijverbod van 150 dagen; een verval van het recht alle motorvoertuigen te besturen van 8 maanden, waarvan 2 maanden met uitstel gedurende 3 jaar; en herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een medisch onderzoek, een psychologisch onderzoek, een theoretisch examen en een praktisch examen.
- Rijbewijs niet bij zich (B): een geldboete van 160 euro (20 euro verhoogd met 70 opdeciemen), vervangbaar door een rijverbod van 15 dagen.
- Geen geldig keuringsbewijs (C): een geldboete van 240 euro (30 euro verhoogd met 70 opdeciemen), vervangbaar door een gevangenisstraf van 15 dagen.
Daarbovenop kwamen tweemaal de bijdrage van 200 euro aan het Slachtofferfonds, 26 euro aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, 40,58 euro gerechtskosten en een vaste vergoeding van 61,01 euro.
De rechtsvraag
De beklaagde stelde tijdig hoger beroep in en diende een grievenformulier in. De grieven betroffen uitsluitend de straftoemeting voor alle tenlasteleggingen. Het openbaar ministerie ging niet in beroep. De rechtbank moest dus beoordelen of de straffen, het gedeeltelijke uitstel, de herstelexamens en de bijdragen en kosten correct waren bepaald, en of een ruimer uitstel mogelijk of aangewezen was.
Wat zegt de wet?
Omdat de feiten dateren van oktober 2024, geldt het recht van toen. Artikel 2 van het oude Strafwetboek (oud Sw.) bepaalt dat geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Voor feiten van vóór 1 februari 2026 worden de geldboeten uit de Wegverkeerswet vermenigvuldigd met 8 (70 opdeciemen). Dat verklaart waarom een basisboete van 500 euro hier 4.000 euro werd.
Alcoholintoxicatie en herhaling
- Artikel 34, § 2, 1° Wegverkeerswet bestraft wie op een openbare plaats een voertuig bestuurt terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft, met een geldboete van 200 tot 2 000 euro.
- Artikel 36 Wegverkeerswet verzwaart de straf voor wie, na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2, 35 of 37bis, § 1, een van die bepalingen opnieuw overtreedt binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan: gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en geldboete van 400 tot 5 000 euro, of een van die straffen alleen.
- Artikel 38, § 6 Wegverkeerswet verplicht de rechter bij zo een herhaling binnen drie jaar een verval van het recht tot sturen van ten minste drie maanden uit te spreken en het herstel afhankelijk te maken van de vier examens en onderzoeken (theoretisch en praktisch examen, geneeskundig en psychologisch onderzoek). Volgens het tweede lid bedraagt het verval ten minste zes maanden wanneer de herhaling volgt binnen drie jaar na een veroordeling waarin het eerste lid al werd toegepast. Precies die situatie deed zich hier voor.
De bijkomende overtredingen
Artikel 21 Wegverkeerswet verplicht de bestuurder van een motorvoertuig om houder te zijn van een rijbewijs én het bij zich te hebben. Artikel 31 bestraft het rijden zonder het rijbewijs bij zich te hebben met een geldboete van 10 tot 500 euro. Voor het ontbreken van een geldig keuringsbewijs verwijst de tenlastelegging naar het algemeen reglement op de technische eisen van de voertuigen (KB van 15 maart 1968) en artikel 4 van de wet van 21 juni 1985 (zoals geciteerd in het vonnis).
Hoger beroep in strafzaken
Wie in beroep gaat, moet op straffe van verval in een verzoekschrift nauwkeurig de grieven tegen het vonnis bepalen (art. 204 Wetboek van Strafvordering). De beroepsrechter is in beginsel beperkt tot die grieven en kan ambtshalve enkel nog bepaalde grieven van openbare orde opwerpen (art. 210, tweede lid Wetboek van Strafvordering).
Wat is er sinds 1 september 2026 veranderd?
Sinds 1 september 2026 is de Wegverkeerswet aangepast aan het nieuwe Strafwetboek (wet van 25 mei 2026). De nummers van deze artikelen bleven behouden, maar de strafbepalingen spreken nu van strafniveaus: artikel 34, § 2 wordt gestraft met een straf van niveau 1 en artikel 36 met een straf van niveau 2, telkens met een eigen geldboetevork. De regeling van het verplichte verval en de vier herstelexamens bij herhaling in artikel 38, § 6 bestaat nog steeds. Voor feiten van vóór 1 september 2026, zoals in deze zaak, blijven in beginsel de oude strafbepalingen en opdeciemen gelden; er mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan die waarin de wet ten tijde van het misdrijf voorzag, en bij een wijziging van de strafwet na het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen (art. 2, tweede en derde lid Sw.; voorheen art. 2 oud Sw.).
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, oordeelde in hoger beroep op 3 juni 2026. Zij verklaarde het beroep ontvankelijk: de verklaring van hoger beroep en het verzoekschrift met grieven waren tijdig en regelmatig ingediend, en de grieven over de straftoemeting waren voldoende nauwkeurig. Omdat enkel de straftoemeting werd betwist, stonden de schuld aan de drie tenlasteleggingen en de veroordeling tot de vaste vergoeding definitief vast.
Volgens de rechtbank stond de staat van herhaling vast. Een voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uit 2022, met het bewijs dat het in kracht van gewijsde was gegaan, zat in het strafdossier. De beklaagde bevond zich daardoor zowel in staat van herhaling volgens artikel 36, eerste lid, als volgens artikel 38, § 6, tweede lid Wegverkeerswet.
De geldboeten waren volgens de rechtbank aangepast aan de aard en de ernst van de feiten, de maatschappelijke laakbaarheid, de persoonlijkheid en de situatie van de beklaagde en zijn strafrechtelijk verleden. Een ruimer uitstel, een kortere proeftijd of uitstel voor de boeten van B en C zou hem volgens de rechtbank onvoldoende bewust maken van de ernst van de feiten en zou een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal uitmaken. Dezelfde redenering gold voor het verval van 8 maanden met 2 maanden uitstel. De rechtbank voegde eraan toe: De namens de beklaagde ter zitting van 6 mei 2026 door diens raadsman ontwikkelde argumentatie is niet van aard om andersluidend te oordelen.
Ook de vier herstelexamens en -onderzoeken bleven overeind, vermits dit overeenkomstig artikel 38, §6, lid 2 van de Wegverkeerswet een wettelijke verplichting uitmaakt. De bijdragen en de kosten van eerste aanleg werden eveneens bevestigd. Het dictum luidt: Verklaart het hoger beroep van de beklaagde ontvankelijk, doch ongegrond. De beklaagde werd bovendien veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep, begroot op 85,06 euro.
Analyse en betekenis voor de praktijk
Dit vonnis toont hoe weinig ruimte er overblijft wanneer iemand binnen drie jaar opnieuw met alcohol achter het stuur wordt betrapt, zeker als ook de vorige veroordeling al een herhaling was. De wet legt dan zelf de bodem vast: een verval van ten minste zes maanden en de vier herstelexamens. Opvallend is dat het effectief uit te voeren deel van het verval hier zes maanden bedraagt (8 maanden min 2 maanden uitstel), evenveel als het wettelijke minimum in deze situatie.
Een hoger beroep dat enkel over de strafmaat gaat, biedt geen garantie op een mildere straf: de rechtbank kan het vonnis, zoals hier, volledig bevestigen, met bijkomende kosten voor de beklaagde.
Een vaak vergeten gevolg: wanneer de rechter het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maakt van herstelexamens of -onderzoeken, kan hij het effectieve verval niet laten uitvoeren enkel in het weekend (art. 38, § 2bis Wegverkeerswet). Een weekendregeling is in een herhalingsdossier als dit dus geen optie. Het vonnis vermeldt geen alcoholslot; over herhaling met een verplicht alcoholslot leest u meer in de analyse alcohol in herhaling: verval en verplicht alcoholslot.
Ten slotte werden de bijkomende overtredingen (rijbewijs niet bij zich, geen keuringsbewijs) afzonderlijk bestraft, zonder enig uitstel. Voor een vergelijkbare zaak waarin bij herhaling ook een ongeschiktverklaring werd opgelegd, zie rijden onder invloed bij herhaling: verval en ongeschiktverklaring.
Praktische tips
- Controleer bij een nieuwe alcoholovertreding altijd de datum van de vorige veroordeling: de termijn van drie jaar loopt vanaf de dag van de uitspraak van het vorige veroordelende vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.
- Ga na of in het vorige vonnis al toepassing werd gemaakt van artikel 38, § 6 Wegverkeerswet. Dan ligt het minimale verval bij een nieuwe herhaling binnen drie jaar hoger (zes of negen maanden).
- Formuleer in hoger beroep nauwkeurige grieven op het grievenformulier; zonder nauwkeurige grieven vervalt het beroep.
- Bereid de herstelexamens en -onderzoeken tijdig voor: zonder slagen krijgt u het recht tot sturen niet terug, ook niet na het verstrijken van het verval.
Toegepaste Wetsartikelen
Art. 34, § 2, 1°
Wegverkeerswet (16 maart 1968)
Bestraft het besturen van een voertuig op een openbare plaats met een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht (of 0,8 g per liter bloed) met een geldboete van 200 tot 2 000 euro (tekst vóór 1 september 2026).
Art. 36
Wegverkeerswet (16 maart 1968)
Herhaling binnen drie jaar na een veroordeling met toepassing van art. 34, § 2, 35 of 37bis, § 1: gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en geldboete van 400 tot 5 000 euro, of een van die straffen alleen (tekst vóór 1 september 2026).
Art. 38, § 6
Wegverkeerswet (16 maart 1968)
Verplicht verval van ten minste drie maanden en vier herstelexamens en -onderzoeken bij herhaling binnen drie jaar; ten minste zes maanden bij herhaling binnen drie jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling waarin het eerste lid werd toegepast (tweede lid).
Art. 38, § 2bis
Wegverkeerswet (16 maart 1968)
Uitvoering van het effectieve verval enkel in het weekend of op feestdagen, behalve in geval van art. 37/1 of wanneer het herstel afhankelijk wordt gemaakt van examens of onderzoeken.
Art. 21 en 31
Wegverkeerswet (16 maart 1968)
Verplichting om het rijbewijs bij zich te hebben; het besturen van een motorvoertuig zonder het vereiste rijbewijs bij zich te hebben wordt gestraft met een geldboete van 10 tot 500 euro (tekst vóór 1 september 2026).
Art. 204
Wetboek van Strafvordering
Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven tegen het vonnis; het wordt binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de verklaring van hoger beroep.
Art. 162
Wetboek van Strafvordering
Ieder veroordelend vonnis verwijst de beklaagde in de kosten, zelfs jegens de openbare partij.
Art. 2
Strafwetboek (oud, 1867)
Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd; bij verschil wordt de minst zware straf toegepast.
Meer over Verkeersrecht
Ontdek al onze diensten, juridische tools en artikelen over verkeersrecht.
Bekijk expertisepagina VerkeersrechtVeelgestelde vragen over deze zaak
Meer over Verkeersrecht
Vergelijkbare situatie? Spreek een advocaat
Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).
Liever eerst bellen? 050 67 32 06
Gerelateerde Zaken
Alle rechtspraak63 km/u in zone 30: verval, enkel in het weekend
Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
20 mei 2026
Rijden onder invloed bij herhaling: verval en ongeschiktverklaring
Politierechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout
2 mrt 2026
33 km/u te snel in bebouwde kom: verval enkel in het weekend
Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge
16 mrt 2026