Terug naar Rechtspraak
    Handelsrecht
    Vordering toegewezen

    Onbetaalde B2B-factuur: Ondernemingsrechtbank past standaardmatiging van 10% toe op schadebeding

    Mr. Peter-Jan De MeulenaereOndernemingsrechtbank Gent, afdeling BRUGGE22 september 2026Gepubliceerd Bijgewerkt 27 weergaven
    Delen:
    Handelsrecht - Onbetaalde B2B-factuur: Ondernemingsrechtbank past standaardmatiging van 10% toe op schadebeding

    Samenvatting van de Zaak

    In een verstekvonnis over een onbetaalde B2B-vordering van € 10.100 (factuur of facturen) kent de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge, de volledige hoofdsom toe. De rechtbank past haar standaardmotivering toe voor de bijkomende vorderingen. Ze kent een schadevergoeding van 10% (€ 1.010) toe, zich baserend op zowel het oude als het nieuwe verbintenissenrecht (art. 1231 oud BW en art. 5.88 BW). Op de hoofdsom wordt de interest van de Wet Betalingsachterstand toegekend, op het schadebeding de gewone wettelijke interest vanaf de dagvaarding. De gedaagde draait ook op voor de gerechtskosten.

    Uitkomst:
    Vordering toegewezen

    Kernpunten

    • 1Deze kamer van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge, herleidt een schadebeding volgens haar vaste motivering tot 10% van de hoofdsom, met een minimum van 40 euro en een maximum van 3.000 euro.
    • 2De rechter past de Wet Betalingsachterstand Handelstransacties (hogere interestvoet) toe op de hoofdsom en de gewone wettelijke interest op het schadebeding.
    • 3De rechtbank vermeldt zowel art. 5.88, § 2 BW als het opgeheven art. 1231, § 1 oud BW; welk regime geldt, hangt af van de datum van het contract (art. 64 wet van 28 april 2022).
    • 4Zelfs bij verstek toetst de rechter de vordering ambtshalve en wordt niet alles wat geëist wordt, automatisch toegekend.
    • 5Het gebruik van een gestandaardiseerde motivering door de rechtbank verhoogt de voorspelbaarheid van de uitkomst in zaken van onbetwiste facturen.

    Juridische Analyse

    Verstekvonnis en de ambtshalve toetsing door de rechter

    Dit vonnis is een verstekvonnis, wat betekent dat de gedaagde partij niet is verschenen om verweer te voeren. In tegenstelling tot wat men soms denkt, leidt dit niet tot een automatische toekenning van alles wat de eiser vordert. De rechter behoudt een actieve rol en moet de vordering ambtshalve toetsen aan de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die hij krachtens de wet ambtshalve kan toepassen (art. 806 Ger.W.). Dit vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent is een schoolvoorbeeld van deze rechterlijke controle.

    De rechtbank maakt gebruik van een gestandaardiseerde motivering om haar beoordelingsprincipes te motiveren. Deze praktijk verhoogt de voorspelbaarheid en transparantie van de rechtspraak. Het geeft partijen en hun raadslieden op voorhand inzicht in hoe de rechtbank typisch oordeelt over schadebedingen, interesten en andere bijkomende vorderingen bij onbetwiste geldschulden.

    De rechterlijke matiging van het schadebeding: een schoolvoorbeeld

    De dubbele wettelijke basis: oud en nieuw Burgerlijk Wetboek

    Het meest interessante juridische aspect van dit vonnis is de manier waarop de rechtbank omgaat met het schadebeding. De rechtbank kent een forfaitair schadebeding toe van 10% van de hoofdsom. De juridische grondslag hiervoor is de rechterlijke matigingsbevoegdheid.

    De rechtbank verwijst expliciet naar "artikel 5.88, §2 van het burgerlijk wetboek (artikel 1231, §1 van het oud burgerlijk wetboek)".

    Deze dubbele verwijzing is bijzonder relevant. Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek trad in werking op 1 januari 2023. Volgens de overgangsbepaling van artikel 64 van de wet van 28 april 2022 blijven de vorige regels, tenzij partijen anders overeenkwamen, van toepassing op de toekomstige gevolgen van rechtshandelingen die vóór die datum plaatsvonden. Het vonnis vermeldt de datum van het contract niet, zodat niet blijkt welk regime van toepassing was; de rechtbank vermeldt beide bepalingen. Zowel het oude als het nieuwe artikel geeft de rechter de bevoegdheid om een schadebeding dat kennelijk onredelijk is, te matigen.

    De 10%-regel als gangbare praktijk

    De toekenning van 10% van de hoofdsom is geen wettelijk vastgelegd percentage, maar de vaste regel die deze kamer in haar gestandaardiseerde motivering hanteert. Het wordt beschouwd als een redelijke, forfaitaire vergoeding voor de schade die een schuldeiser lijdt door laattijdige betaling (o.a. administratieve last, verlies van tijd, invorderingskosten). In haar standaardmotivering preciseert de rechtbank dat zij een schadebeding herleidt tot 10% van de hoofdsom, met een minimum van € 40 en een maximum van € 3.000. Voor de praktijk is dit van onschatbare waarde: een schuldeiser weet dat een schadebeding van 15% of 20% in de algemene voorwaarden waarschijnlijk door deze rechtbank zal worden herleid tot 10%, terwijl een schuldenaar weet dat hij zich niet zomaar aan een schadevergoeding kan onttrekken.

    Onderscheid in interesten: een cruciale tweedeling

    Het vonnis illustreert feilloos het onderscheid tussen twee soorten interesten die bij een laattijdige betaling kunnen worden gevorderd.

    Moratoire interesten op de hoofdsom

    Voor de hoofdsom van € 10.100,00 kent de rechtbank interesten toe op basis van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Die wet voorziet in een hogere interestvoet dan de gewone wettelijke interestvoet. De rechtbank laat deze interesten lopen vanaf de dag na de vervaldag van de factuur of facturen. De rechtbank past deze regel correct toe.

    Gerechtelijke interesten op het schadebeding

    Voor het toegekende schadebeding van € 1.010,00 worden echter andere interesten toegekend: de gewone wettelijke interestvoet (op basis van de Wet van 5 mei 1865), en dit pas vanaf de datum van de dagvaarding. Het vonnis motiveert dit niet verder dan de vaststelling dat eventuele intresten op de forfaitaire schadevergoeding voor invorderingskosten pas vanaf de dagvaarding lopen, en dat de intrestvoet van de wet van 2 augustus 2002 enkel geldt wanneer betaling wordt gevorderd als vergoeding voor een handelstransactie; in de andere gevallen geldt de gewone wettelijke intrestvoet.

    Praktische implicaties en tips

    • Voor schuldeisers: Het opnemen van een schadebeding in de algemene voorwaarden blijft cruciaal. Zonder beding wordt de vergoeding voor invorderingskosten vaak beperkt tot een wettelijk forfait van € 40, tenzij men hogere, concrete kosten kan bewijzen. Wees u er echter van bewust dat de rechter een kennelijk onredelijk beding kan matigen (art. 5.88, § 2 BW); deze kamer herleidt het volgens haar vaste motivering tot 10% van de hoofdsom.
    • Voor schuldenaren: Een buitensporig hoog schadebeding in de algemene voorwaarden van een leverancier is niet het einde van de wereld. De rechter kan een kennelijk onredelijk schadebeding ambtshalve matigen; deze kamer doet dat volgens haar vaste motivering tot 10% van de hoofdsom (minimum 40 euro, maximum 3.000 euro). Dit mag echter geen excuus zijn om niet te reageren op een dagvaarding, aangezien de hoofdsom en een aanzienlijke vergoeding alsnog zullen worden toegekend.
    • Voor advocaten: Het is nuttig om in de dagvaarding de vordering reeds op te splitsen conform de principes die de rechtbank hanteert. Vorder de interesten volgens de Wet Betalingsachterstand op de hoofdsom en de gerechtelijke interesten op het schadebeding. Dit verhoogt de kans dat de vordering vlot en conform het gevorderde wordt toegekend. De standaardmotiveringen van de rechtbanken zijn hierbij een uitstekend kompas.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 5.88

    BW boek 5 Verbintenissen

    Schadebeding (rechterlijke matiging)

    Art. 1231

    Oud Burgerlijk Wetboek (geconsolideerd)

    Schadebeding (opgeheven 01-01-2023, vervangen door art. 5.88 BW)

    Art. 806

    Gerechtelijk Wetboek

    Verstekvonnis: inwilliging van de vordering, behalve voor zover strijdig met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter ambtshalve kan toepassen

    N.v.t.

    Wet van 2 augustus 2002

    Bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties

    Art. 1022

    Gerechtelijk Wetboek

    Rechtsplegingsvergoeding

    Meer over Ondernemingsrecht

    Ontdek al onze diensten, juridische tools en artikelen over ondernemingsrecht.

    Bekijk expertisepagina Ondernemingsrecht

    Veelgestelde vragen over deze zaak

    Meer over Handelsrecht

    Vergelijkbare situatie? Spreek een advocaat

    Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).

    Liever eerst bellen? 050 67 32 06

    Kantoor € 75Video € 50

    Prijzen excl. btw

    Meer info: cookie beleid · privacy