Veroordeling van een beginnend bestuurder voor verkeersinbreuken met toepassing van het oude strafrecht

Samenvatting van de Zaak
Dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, betreft de strafrechtelijke vervolging van een beginnend bestuurder voor meerdere verkeersinbreuken gepleegd op 17 april 2026. De beklaagde werd gedagvaard voor drie tenlasteleggingen: het aansporen of uitdagen van een andere bestuurder om overdreven snel te rijden, het niet aanpassen van de snelheid aan de verkeersomstandigheden, en het negeren van wegmarkeringen (rijden of stilstaan op een verdrijvingsvlak). Een verzwarende omstandigheid was dat de beklaagde op het moment van de feiten minder dan twee jaar houder was van een rijbewijs B. De beklaagde werd op de zitting vertegenwoordigd door een advocaat. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak samengevat en zijn vordering uiteengezet. De politierechter verklaart alle tenlasteleggingen bewezen. Omdat de feiten dateren van vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek (1 september 2026), past de rechtbank correct de regels van de tijdsgelding toe. Het recht ten tijde van de feiten vormt het vertrekpunt, met toepassing van latere bepalingen voor zover die voor de beklaagde gunstiger zijn, overeenkomstig art. 2 oud Sw. en art. 2 Sw. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van samenloop tussen de verschillende inbreuken en past artikel 65 oud Sw. toe, waardoor enkel de zwaarste straf wordt uitgesproken. De beklaagde wordt veroordeeld tot een geldboete van 500 euro (50 euro verhoogd met 90 opdeciemen, het geldende tarief in april 2026). Bij niet-betaling wordt deze boete vervangen door een rijverbod van 30 dagen. Daarnaast spreekt de rechtbank een verval van het recht tot sturen uit voor een periode van 21 dagen. Omdat de beklaagde een beginnend bestuurder is, is de rechtbank wettelijk verplicht om het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor minstens één examen. De rechter legt in dit geval een theoretisch examen op, oordelend dat de beklaagde de verkeersregels nog onvoldoende beheerst. Tot slot wordt de beklaagde veroordeeld tot de wettelijke bijdragen (Slachtofferfonds, Tweedelijnsbijstand) en de gerechtskosten.
Relevante Juridische Tools
Bereken zelf uw situatie met onze gratis tools:
Kernpunten
- 1De datum van de feiten bepaalt welke strafwet en welke opdeciemen van toepassing zijn, niet de datum van het vonnis.
- 2Voor feiten gepleegd in april 2026 bedraagt de vermenigvuldigingsfactor voor geldboeten 10 (90 opdeciemen).
- 3Bij samenloop die voldoet aan de voorwaarden van art. 65, eerste lid, oud Sw. wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.
- 4De rechtbank legt de beginnende bestuurder in deze zaak verplicht een verval van het recht tot sturen op en maakt het herstel afhankelijk van een theoretisch examen.
Juridische Analyse
Toepasselijke wetgeving in de tijd (Overgangsrecht)
Een cruciaal element in dit vonnis is de correcte toepassing van het overgangsrecht. Het vonnis is uitgesproken op 8 oktober 2026, na de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek en de nieuwe Wegverkeerswet op 1 september 2026. De feiten dateren echter van 17 april 2026. De politierechtbank verwijst terecht naar het legaliteitsbeginsel en de regels inzake de toepassing van de strafwet in de tijd.
Zowel art. 2 oud Sw. als art. 2 Sw. bepalen dat niemand kan worden bestraft voor een feit dat niet strafbaar was ten tijde van het handelen, en dat er geen zwaardere straf kan worden opgelegd dan die waarin de wet voorzag op het moment van de feiten. Art. 2 oud Sw. stelt:
"Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast."
Omdat de feiten dateren van vóór 1 september 2026, vormt het oude recht het correcte vertrekpunt. De rechtbank past dan ook correct de oude Wegverkeerswet en het Strafwetboek 1867 (oud) toe.
Berekening van de geldboete
De datum van de feiten (17 april 2026) is eveneens bepalend voor de berekening van de geldboete. Voor feiten gepleegd tussen 1 februari 2026 en 31 augustus 2026 bedragen de opdeciemen 90 (een vermenigvuldigingsfactor van 10). De rechtbank veroordeelt de beklaagde tot een basisboete van 50 euro, verhoogd met 90 opdeciemen, wat resulteert in een effectieve geldboete van 500 euro. Dit is een feilloze toepassing van de wetgeving die gold op het moment van de inbreuk.
Samenloop van misdrijven
De beklaagde werd veroordeeld voor drie afzonderlijke inbreuken: het uitdagen tot overdreven snelheid, onaangepaste snelheid en het negeren van een verdrijvingsvlak. De rechtbank stelt samenloop vast en past art. 65, eerste lid, oud Sw. toe. Zij kwalificeert die samenloop niet uitdrukkelijk als eendaads. Dit artikel (dat in het nieuwe Strafwetboek over uitstel gaat, maar in het Strafwetboek 1867 (oud) de samenloop regelde) bepaalt:
"Wanneer een zelfde feit verscheidende misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken."
Door de toepassing van dit artikel wordt de beklaagde niet voor elk feit afzonderlijk bestraft, maar wordt één globale straf uitgesproken die overeenstemt met de zwaarste kwalificatie.
Statuut van beginnend bestuurder
De rechtbank weerhoudt de verzwarende omstandigheid dat de beklaagde op het ogenblik van de feiten minder dan twee jaar houder was van een rijbewijs B. Dit heeft belangrijke wettelijke consequenties onder de Wegverkeerswet. Onder verwijzing naar artikel 38, § 5, van de (oude) Wegverkeerswet stelt de rechtbank dat zij in deze zaak een verval van het recht tot sturen moet uitspreken en het herstel in dat recht afhankelijk moet maken van minstens één examen.
De rechter motiveert de keuze voor het theoretisch examen als volgt: "De beklaagde beheerst duidelijk nog niet alle verkeersregels, hetgeen noodzakelijk is om zich op een veilige wijze met een motorvoertuig in het verkeer te begeven." Dit toont aan dat de rechtbank de straf individualiseert en afstemt op de specifieke tekortkomingen van de beklaagde, met als doel de verkeersveiligheid en de maatschappelijke re-integratie te bevorderen.
Praktische implicaties
Dit vonnis illustreert twee belangrijke aandachtspunten voor de rechtspraktijk:
- Belang van de pleegdatum: Bij vonnissen die worden uitgesproken na 1 september 2026 voor feiten van vóór die datum, vormt het oude recht het vertrekpunt; per onderdeel moet worden nagegaan of latere bepalingen voor de beklaagde gunstiger zijn. Voor de opdeciemen geldt de specifieke overgangsregel van art. 78, § 1, tweede lid, Sw.: voor feiten van vóór de inwerkingtreding gelden de opdeciemen van op het moment van de feiten.
- Strenge aanpak beginnende bestuurders: In deze zaak verbindt de rechtbank aan het statuut van beginnend bestuurder een verplicht verval van het recht tot sturen en een examen als voorwaarde voor herstel. Zij kiest voor een theoretisch examen wegens de onvoldoende beheersing van de verkeersregels.
Toegepaste Wetsartikelen
Art. 2
Strafwetboek 1867 (oud)
Toepassing van de strafwet in de tijd (oud Sw.)
Art. 65
Strafwetboek 1867 (oud)
Samenloop van misdrijven (oud Sw.)
Art. 29
Wegverkeerswet
Strafbepalingen verkeersinbreuken (versie vóór 1-9-2026)
Art. 38
Wegverkeerswet
Verval van het recht tot sturen en beginnende bestuurders (versie vóór 1-9-2026)
Art. 5
Wegcode
Bindende kracht van de verkeerstekens
Meer over Verkeersrecht
Ontdek al onze diensten, juridische tools en artikelen over verkeersrecht.
Bekijk expertisepagina VerkeersrechtVeelgestelde vragen over deze zaak
Meer over Verkeersrecht
Vergelijkbare situatie? Spreek een advocaat
Kies een eerste consultatie op kantoor (€ 90,75 incl. 21 % btw) of via videocall (€ 60,50 incl. btw).
Liever eerst bellen? 050 67 32 06
Gerelateerde Zaken
Alle rechtspraakOnverzekerd voertuig in het verkeer: politierechter past op feiten van vóór 1 september 2026 terecht het oude strafrecht toe
Politierechtbank West-Vlaanderen - Afdeling Brugge
23 sep 2026
Opgefokte bromfiets zonder verzekering en rijbewijs: straf
Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge
18 dec 2025
Voorlopig rijbewijs geschonden: 50 uur werkstraf
Politierechtbank West-Vlaanderen - Afdeling Kortrijk
10 feb 2026