Terug naar Rechtspraak
    Verkeersrecht
    Gedeeltelijk toegewezen

    Aanrijding in fietszone: Veroordeling voor inhalen, maar schadeclaim slachtoffer afgewezen wegens gebrek aan bewijs

    Mr. Peter-Jan De MeulenaerePolitierechtbank West-Vlaanderen - Afdeling Brugge7 januari 2026500 weergaven
    Delen:
    verkeersrechtverkeersongevalfietszoneonopzettelijke slagen en verwondingenvluchtmisdrijfburgerlijke vorderingschadevergoedingbewijslast

    Samenvatting van de Zaak

    Situatie

    Dit vonnis van de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, behandelt een verkeersongeval in een fietszone. De beklaagde, een automobilist, werd vervolgd voor vier tenlasteleggingen na een aanrijding met een fietser. De feiten vonden plaats in [GEMEENTE X] op [DATUM A].

    Geschil

    Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling op basis van vier inbreuken: het niet kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis (art. 10.1, 3° Wegcode), het inhalen van een fietser in een fietszone (art. 22novies Wegcode), het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen (art. 420 Strafwetboek), en vluchtmisdrijf met gewonden (art. 33 §2 Wegverkeerswet). De beklaagde, bijgestaan door zijn advocaat, betwistte de tenlasteleggingen. De fietser, [PERSOON B], stelde zich burgerlijke partij en vorderde een definitieve schadevergoeding van 500 euro, vermeerderd met interesten en een rechtsplegingsvergoeding. De rechtbank oordeelde dat de eerste drie tenlasteleggingen (niet kunnen stoppen, inhalen in fietszone, onopzettelijke verwondingen) bewezen waren. De rechter achtte de fout van de bestuurder en het oorzakelijk verband met de verwondingen van de fietser vaststaand. Voor de vierde tenlastelegging, het vluchtmisdrijf, sprak de rechtbank de beklaagde vrij wegens twijfel. De rechtbank was niet overtuigd dat de beklaagde de intentie had om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken. Op strafrechtelijk vlak werd de beklaagde veroordeeld tot een geldboete van 400 euro, waarvan de helft met uitstel voor een periode van één jaar.

    Beslissing

    Op burgerrechtelijk vlak werd de vordering van de fietser ontvankelijk verklaard, maar afgewezen als ongegrond. De rechtbank stelde vast dat de burgerlijke partij, ondanks het vaststaan van de aansprakelijkheid van de beklaagde, geen enkel bewijsstuk had voorgelegd om de gevorderde schade te staven. Zonder bewijs van de omvang van de schade kon de rechter de vordering niet toekennen.

    Uitkomst:
    Gedeeltelijk toegewezen

    Kernpunten

    • 1Het inhalen van een fietser in een fietszone is strikt verboden en leidt bij een ongeval quasi automatisch tot aansprakelijkheid van de automobilist.
    • 2Voor een veroordeling voor vluchtmisdrijf moet het parket de specifieke intentie om aan vaststellingen te ontsnappen bewijzen; twijfel hierover leidt tot vrijspraak.
    • 3Een slachtoffer moet zijn schade concreet bewijzen met documenten (facturen, medische attesten); zonder bewijs wordt een vordering tot schadevergoeding afgewezen, zelfs als de aansprakelijkheid van de dader vaststaat.
    • 4Een schadeclaim die niet onderbouwd is met bewijsstukken wordt als 'ongegrond' afgewezen, ook al is de fout van de tegenpartij bewezen.
    • 5De strafrechter kan de burgerlijke belangen aanhouden, maar dit is geen reddingsboei voor een vordering die wegens gebrek aan bewijs werd afgewezen.

    Juridische Analyse

    Analyse van de strafrechtelijke beoordeling

    De bewezen verklaarde inbreuken: een klassiek verkeersongeval

    De rechtbank acht drie van de vier tenlasteleggingen bewezen. Deze vormen een logisch en juridisch samenhangend geheel dat vaak voorkomt bij verkeersongevallen met gewonden.

    Tenlastelegging A: Art. 10.1, 3° Wegcode (KB 1 december 1975)
    Dit artikel legt een algemene voorzichtigheidsplicht op aan elke bestuurder. De verplichting om "in alle omstandigheden te kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien" is een pijler van het verkeersrecht. In de praktijk wordt het loutere feit dat een aanrijding plaatsvindt vaak als voldoende bewijs gezien dat de bestuurder zijn snelheid niet heeft aangepast of onvoldoende aandacht had. De voorzienbaarheid van de hindernis (in dit geval een fietser in een fietszone) wordt zeer ruim geïnterpreteerd.

    Tenlastelegging B: Art. 22novies Wegcode
    Deze tenlastelegging is specifiek en cruciaal. Artikel 22novies, lid 2 van de Wegcode stelt expliciet: "In de fietszones mogen de motorvoertuigen de fietsers niet inhalen." Dit is een absoluut verbod. Het feit dat de beklaagde een fietser inhaalde in een correct aangeduide fietszone, volstaat om de inbreuk te bewijzen. Deze regel onderstreept het beschermende karakter van een fietszone, waar de fietser de hoofdwegger is en de automobilist slechts 'te gast' is.

    Tenlastelegging C: Art. 420 Strafwetboek
    De veroordeling voor onopzettelijke slagen en verwondingen is een direct gevolg van de bewezen verkeersinbreuken. Om artikel 420 Sw. toe te passen, moet de rechter drie elementen vaststellen:

    1. Een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid (de fout).
    2. Slagen of verwondingen bij een ander.
    3. Een oorzakelijk verband tussen de fout en de schade.
    De rechtbank stelt de fout vast door te verwijzen naar de overtredingen van de Wegcode (tenlasteleggingen A en B). Het inhalen in een fietszone is ontegensprekelijk een "gebrek aan voorzorg". Aangezien dit manoeuvre leidde tot de aanrijding en de verwondingen van de fietser, zijn alle voorwaarden vervuld.

    De vrijspraak voor vluchtmisdrijf: het belang van het moreel element

    De rechtbank spreekt de beklaagde vrij voor het vluchtmisdrijf (art. 33 §2 Wegverkeerswet 16 maart 1968) "ingevolge twijfel". Dit is een belangrijk punt in het vonnis. Voor een veroordeling voor vluchtmisdrijf moet het Openbaar Ministerie niet alleen bewijzen dat de bestuurder de plaats van het ongeval heeft verlaten, maar ook dat hij dit deed met een specifiek opzet: de intentie om zich te onttrekken aan de "dienstige vaststellingen" (bv. identiteitscontrole, alcoholtest, optekenen van de omstandigheden door de politie).

    De rechtbank stelt: "...er twijfel bestaat of beklaagde [PERSOON A] zich plichtig heeft gemaakt aan de feiten van de tenlastelegging D. Deze twijfel dient ten goede te komen aan de beklaagde..."

    Deze twijfel kan betrekking hebben op verschillende aspecten. Mogelijk heeft de beklaagde aangevoerd dat hij niet besefte dat er een ongeval met gewonden was, of dat hij in paniek was en later van plan was zich aan te geven. Zonder het bewijs van dit specifieke opzet (het morele bestanddeel van het misdrijf), kan geen veroordeling volgen. Dit illustreert het principe in dubio pro reo: bij twijfel wordt de beklaagde vrijgesproken. Het is een herinnering dat het louter verlaten van de plaats van een ongeval niet automatisch gelijkstaat aan een vluchtmisdrijf.

    Analyse van de burgerlijke vordering: een harde les in bewijslast

    De afwijzing als "ongegrond"

    Het meest leerrijke aspect van dit vonnis is de beslissing op burgerlijk vlak. Hoewel de strafrechter de fout van de beklaagde en diens aansprakelijkheid voor het ongeval vaststelt, wordt de schadeclaim van het slachtoffer volledig afgewezen. De rechtbank verklaart de vordering "ontvankelijk doch ongegrond".

    • Ontvankelijk: De vordering werd correct en tijdig ingesteld.
    • Ongegrond: De inhoud van de vordering wordt afgewezen omdat de eiser zijn claim niet bewijst.
    De redenering van de rechter is kort maar krachtig: "Gelet op het ontbreken van enige stukken, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de burgerlijke partij dient te worden afgewezen als ongegrond."

    Dit is een directe toepassing van het fundamentele bewijsrechtelijke principe "Actori incumbit probatio" (de bewijslast rust op de eiser), verankerd in artikel 8.4 van het Burgerlijk Wetboek (voorheen art. 1315 Oud BW). Een slachtoffer dat schadevergoeding eist, moet twee zaken bewijzen: de aansprakelijkheid van de tegenpartij én de omvang van de eigen schade. In dit geval was het eerste punt (aansprakelijkheid) bewezen door de strafrechtelijke veroordeling. Het tweede punt (de schade) werd echter volledig nagelaten.

    Praktische implicaties en tips voor slachtoffers

    Dit vonnis is een duidelijke waarschuwing voor slachtoffers van verkeersongevallen en hun raadslieden. Het verkrijgen van een veroordeling van de dader is niet voldoende om automatisch een schadevergoeding te ontvangen. De schade moet nauwgezet worden gedocumenteerd en bewezen.

    Tips voor het onderbouwen van een schadeclaim:

    • Medische schade: Verzamel alle medische attesten, verslagen van de spoeddienst, doktersvoorschriften, facturen van artsen, kinesisten en apothekers. Een gedetailleerd medisch verslag dat de aard van de letsels en de duur van de arbeidsongeschiktheid beschrijft, is essentieel.
    • Materiële schade: Bewaar facturen of bestekken voor de herstelling of vervanging van de fiets, beschadigde kledij, een kapotte gsm of andere persoonlijke bezittingen. Foto's van de schade zijn ook nuttig.
    • Morele schade: Hoewel dit vaak forfaitair wordt begroot, helpt een gedetailleerde beschrijving van de pijn, het leed en de impact op het dagelijks leven, ondersteund door medische verslagen, om de rechter te overtuigen.
    • Provisionele vordering: Indien de schade nog niet definitief kan worden begroot op het moment van de zitting (bv. omdat de medische toestand nog evolueert), is het cruciaal om een provisionele (voorlopige) schadevergoeding te vragen en de aanstelling van een gerechtsdeskundige te vorderen. In dit geval werd een definitieve som van €500 gevraagd zonder enig bewijs, wat de rechter geen andere keuze liet dan de vordering af te wijzen.

    De ambtshalve aanhouding van de burgerlijke belangen (art. 4 V.T.Sv.) biedt in theorie een opening om de zaak later opnieuw voor de rechter te brengen, maar een afwijzing als 'ongegrond' maakt dit in de praktijk zeer moeilijk. Het slachtoffer had hier duidelijk zijn schadeclaim beter moeten voorbereiden.

    Toegepaste Wetsartikelen

    Art. 10.1, 3°

    KB 1 december 1975 (Wegcode)

    Algemene voorzichtigheidsplicht en stoppen voor een voorzienbare hindernis

    Art. 22novies

    KB 1 december 1975 (Wegcode)

    Regels betreffende fietszones, inclusief inhaalverbod

    Art. 420

    Strafwetboek

    Onopzettelijke slagen en verwondingen door gebrek aan voorzorg

    Art. 33 §2

    Wet 16 maart 1968 (Wegverkeerswet)

    Vluchtmisdrijf na een ongeval met gewonden

    Art. 8.4

    Burgerlijk Wetboek

    Bewijslast (Actori incumbit probatio)

    Vergelijkbare situatie?

    Neem vrijblijvend contact op voor persoonlijk advies van onze advocaten.